Menu

zaterdag 17 juni 2017

Aan een onbekende God – John Steinbeck


“Aan een onbekende God” (1933) is de derde roman die de nieuwe, dit jaar gestarte uitgeverij “Bint” van Arie Kok heeft heruitgegeven. Kok wil zich gaan richten op ‘klassieke verhalen’, wat ik geweldig nieuws vind, want ik houd van oude literatuur. Ik wil vooral ook wijzen op de prachtige website van de uitgeverij waar allerlei informatie rond de schrijvers en hun boeken is te vinden. Eerder besprak ik van de Amerikaanse auteur en Nobelprijswinnaar John Steinbeck (1902-1968) “Van muizen en mensen”. In “Is dit onze Vader?” beschrijft docent Oude Testament Hetty Lalleman hoe het volk Israël steeds weer Jahweh verlaat om zich in te laten met de vruchtbaarheidsculten van de Kannaänieten, die op de een of andere manier een enorme aantrekkingskracht moeten hebben gehad – zie hier. Het magische verhaal “Aan een onbekende God” refereert aan iets insgelijks. Het deed me ook denken aan “Heer van de vliegen” van William Golding (1911-1993), waarin een stel christelijke koorknapen binnen no time vervalt in een min of meer heidense manier van doen, als hun vliegtuig neerstort op een onbewoond eiland. Volgens theoloog Henk Vreekamp (1943-2016) is het christendom niet meer dan een uiterst dun laagje over onze oorspronkelijk heidense ziel. Halverwege het boek bidt iemand dan ook: “… Behoed mij voor de eeuwenoude dingen in mijn bloed…”.

Going West

Vermont – Pittsford – 1903. De vijfendertig jarige Jozef Wayne constateert dat er te weinig land is voor zijn drie getrouwde broers en hem rond de boerderij van zijn vader, en wil naar het Westen. Zijn vader vraagt hem te wachten tot hij dood is: “… Ik ben een oude man, Jozef. Dan ga ik eenvoudig met je mee, boven je hoofd, in de lucht. Dan zie ik wat voor land je uitzoekt en wat voor huis je bouwt. Ik zou erg benieuwd zijn, hoe het er uit ziet, weet je. Misschien zou er zelfs een manier zijn, waarop ik je nu en dan zou kunnen helpen. Stel dat er een koe verdwaald is, misschien zou ik je kunnen helpen om die te vinden; als je zo in de lucht zweeft, kan je alles in de verte goed zien. Als je nou nog even wacht, dan kan ik dat doen, Jozef…”. Maar Jozef is onverzettelijk en vertrekt met een soort van priesterlijke handoplegging: “… Jij bent niet de oudste, Jozef, maar ik heb jou altijd beschouwd als degene, die de vaderlijke zegen moet ontvangen. Thomas en Burton zijn beste kerels en beste zoons, maar ik ben altijd van plan geweest, jou de zegen te geven, zodat jij mijn plaats zou kunnen innemen. Ik weet niet waarom. Er is een kern in je, die krachtiger is dan die van je broers, Jozef; een grote zekerheid diep in je binnenste…”. Jozef strijkt neer in een vallei in Midden-Californië bij een stadje dat bevolkt wordt door Mexicaanse indianen.

Moeder Gaia
Het verhaal barst uit in een buitengewoon imponerend soort natuurmystiek: “… Hij werd half bedwelmd en verloor bijna zijn bezinning door het woud van Onze Lieve Vrouwe. Er was iets merkwaardigs vrouwelijks aan de ineengestrengelde twijgen en takken, aan de lange, groene spelonk, die de rivier in de bomen had uitgesneden, en aan de glanzende struiken. De eindeloze groene hallen, portalen en alkoven schenen een betekenis te hebben, even duister en veelbelovend als de symbolen van een eeuwenoude godsdienst. Jozef huiverde en sloot zijn ogen…”. En even verder: “… Het paard had het bos langs de rivier nu verlaten om een glad, uitgehold pad te volgen, dat er uitzag alsof het gemaakt was door het lijf van een python. Het was een oud wildspoor, gevormd door de hoeven en poten van eenzame, angstige dieren, die het gevolgd hadden alsof zij zelfs het gezelschap met ontelbare geesten boven de eenzaamheid verkozen. Het was een pad met ontelbare geheime bedoelingen. Hier maakte het een bocht om een grote eik te vermijden met één dikke, overhangende tak, waar lang geleden een poema op de loer had gelegen, zijn prooi gevangen had en de reuk had achtergelaten, die het spoor had doen ombuigen; daar liep het pad voorzichtig om een glad rotsblok, waarop een ratelslang gewoon was geweest zijn koude bloed te verwarmen. Het paard bleef midden op het pad en sloeg acht op alle waarschuwingen…”. Jozef ervaart de natuur als bezield: “… Tussen de boomtakken hing een wit vleugje mist, dat rustig voort zweefde, tot boven de boomtoppen. Een ogenblik later sloot zich een doorzichtig wolkje bij de eerste aan, en nóg een en nóg een. Zij zweefden verder als half zichtbaar geworden geesten en werden groter en groter, totdat zij plotseling in een kolom warme lucht terecht kwamen, naar de hemel stegen en kleine wolkjes werden…”. Zijn gevoelens zijn niet altijd even aangenaam: “… Boven op de heuvelrug stond een groep reuze-madronebomen en Jozef zag met verbazing hoe sterk zij deden denken aan vlees en spieren. Zij hieven gespierde ledematen omhoog, rood als gemarteld vlees en kronkelden zich als lichamen op de pijnbank. Jozef legde zijn hand op een van de takken terwijl hij voorbijreed en de tak was koud en glad en hard. Maar de blaadjes aan de uiteinden van de afschuwelijke ledematen waren helder groen en glanzend. Meedogenloze en vreselijke bomen, de madrones. Zij gilden van de pijn als zij verbrand werden…”. Een zin midden in het verhaal: “… Jozef vergat bijna waarvoor hij gekomen was, want de heuvels strekten tedere armen naar hem uit en de bergen waren even zacht en vol aandrang als een liefhebbende vrouw, die half in slaap was…”. Tot zijn eigen ontsteltenis paart hij zelfs met de aarde: “… Hij gooide zich voorover in het gras en drukte zijn wang tegen de natte stengels. Zijn vingers grepen het natte gras, trokken het uit en grepen opnieuw. Zijn dijen sloegen zwaar neer op de aarde. De razernij verliet hem en hij was koud en ontdaan en bang voor zichzelf. Hij ging rechtop zitten en wreef de modder van zijn lippen en zijn baard. ‘Wat was dat?’ vroeg hij zich af. ‘Wat bezielde me? Kan mijn verlangen zó groot zijn?’ Hij trachtte zich precies te herinneren wat er gebeurd was. Een ogenblik lang was het land zijn vrouw geweest…”. Een autochtone Mexicaan: “… ‘Mijn moeder was een indiaanse en zij leerde mij allerhande dingen. ‘Wat voor dingen?’ vroeg Jozef. ‘Vader Angelo zou het er niet mee eens zijn. Mijn moeder vertelde mij, dat de aarde onze moeder is en dat alles wat leeft, het leven van de moeder ontvangt er weer in de moeder terugkeert…”.

De Wayne-ranch
Langzaam naderen wat onheilspellende elementen het verhaal. De Mexicaanse voermannen die bouwmateriaal komen brengen vinden het maar niks dat Jozef zijn huis onder een grote, oude eik wil optrekken. Wat gebeurt er als de bliksem onverhoopt in de boom slaat? En of Jozef wel weet dat er een keer een alles verpulverende droogteperiode in de vallei is geweest? Een gekke knecht heeft nachtmerries tijdens een overnachting en wordt alleen rustig als er paarden om hem heen staan. Als zijn broers per brief laten weten dat zijn vader is overleden raakt Jozef er van overtuigd dat de geest van zijn vader in de eikenboom is gevaren. Hij overreedt zijn broers ook naar Californië te komen: de mensenschuwe dierenfluisteraar Thomas, de ziekelijke godsdienstfanaat Burton en de zuipende schuinmarcheerder Benjy, die ieders hart steelt. En zo ontstaat de Wayne-ranch: “… Alle dingen om hem heen, de aarde, het vee en de mensen waren vruchtbaar en Jozef was de bron, de wortel van hun vruchtbaarheid; de bronst, die aan alles ten grondslag lag, vond in hem zijn oorsprong. Door zijn persoonlijke wilskracht dwong hij alle dingen om hem heen om te groeien, snel te groeien. Zwanger te worden en zich te vermenigvuldigen. De ergste zonde was onvruchtbaarheid, een zonde die niet geduld of vergeven kon worden. Jozefs blauwe ogen werden fel door dit nieuwe geloof…”. Hij begint doodgeschoten valken in de eik te hangen. Spijkert stukjes van ingekeepte kalveroren aan de boom. Zonder te weten waarom, maar het maakt hem gelukkig. Tussen een groep dennen vindt Jozef een open plek met een mysterieuze rots waarin zich een grot bevindt waaruit een bron ontspringt. De rots doet hem aan een altaar denken. De atmosfeer van de plek omschrijft hij als ‘heilig’. Volgens een indiaan komen ‘de ouden’ daar nog steeds.

Superman
Burton betrapt Jozef als hij door het dolle heen een stier staat aan te moedigen die een koe moet dekken. Of hij gek geworden is?! Vol afschuw waarschuwt Burton hem dat er in de Heilige Schrift dingen staan beschreven over onnatuurlijke liefde en dat hij moet uitkijken dat de mensen geen rare praatjes over hem rond gaan vertellen: als hij wil bidden is hij welkom. Op dat moment beseft Jozef dat hij een vrouw nodig heeft. De enige die steriel is in de wijde omgeving is hij zelf. Als Jozef over een nieuwe, mooie, jonge schooljuffrouw hoort “… benadert hij haar in steeds kleiner wordende cirkels…”. Voor ze het weten zijn ze getrouwd, wat niet bepaald een vrolijke gebeurtenis is: “… De bruiloft was in Montery, een sombere, dreigende plechtigheid in een klein, Protestants kerkje. De kerk had al zo dikwijls twee rijpe lichamen zien afsterven door middel van het huwelijk, dat zij in het ritueel een mystieke, dubbele dood scheen te vieren. Jozef en Elizabeth voelden beiden de gemelijkheid van het vonnis. ‘Gij zult verduren,’ zei de kerk; en haar muziek was een profetie zonder een sprankje zon…”. Als ze rond middernacht terug komen van de huwelijksvoltrekking is de ranch in rep en roer. Benjy is dood. Zoals iedereen dacht dat wel eens zou gebeuren: neergestoken door een cowboy met wiens vrouw hij in bed lag. “… De hond van Benjy huilde weer en de prairiewolven in de verte hoorden het gehuil en namen het over met hun krankzinnige lachen…”. Een chaotische nacht volgt waarin Elizabeth onder andere van een schoonzus te horen krijgt dat ze niet met een menselijk wezen is getrouwd, maar met superman: een aanbeden soort halfgod.

Spel
Jozef is gelukkig met Elizabeth en besluit op Nieuwjaarsdag een grote fiësta te houden waar iedereen uit de buurt naar toekomt. Vader Angelo houdt vooraf een mis en ziet hoe Jozef een glas wijn naar de eik gooit: “… Pas op voor de bossen, mijn zoon. Jezus is een betere Heiland dan een bosnimf…”. Jozef vraagt om een nadere verklaring: “… Het is zo: de Duivel is vele duizenden jaren lang heer en meester geweest in dit land, Christus nog slechts enkele. En net als in een pas veroverd land de oude gewoonten nog lang worden gehandhaafd, soms in het geheim en soms een klein beetje veranderd om meer in overeenstemming te zijn met de letter van de nieuwe wet – zo handhaven zich hier, mijn zoon, nog sommige oude gewoonten, zelfs onder de heerschappij van Christus…”. Op de cadans van een zich eindeloos herhalend, bonzend ritme, voeren de mensen op de dansvloer een soort regendans uit, die zich ontlaadt in hevig onweer. Burton ligt jammerend in de stal te bidden vanwege deze ‘eersteklas duivelsaanbidding’. Als hij ziet hoe Jozef een overgebleven stukje vlees als een offerande in de holte van een tak van de eik legt is hij de wanhoop nabij. Gods’ gramschap zal Jozef neervellen. Of ze de boom niet beter kunnen omhakken?! Jozef peinst er niet over. Dat voorjaar groeit en bloeit alles als nooit tevoren. De veestapel breidt zich uit. Zelfs Elizabeth raakt zwanger. Er wordt een zoon geboren. In plaats van hem te dopen legt Jozef de baby tussen de knoestige takken in de boomoksel van de eik. Volgens hem is het allemaal een spelletje. Maar gaandeweg neemt dat wel verdraaid vaste vormen aan. Burton kan het allemaal niet langer aanzien en verdwijnt met zijn gezin naar de stad. Dan gaat de eik dood. Als de grond langs de stam wordt weg gegraven blijkt er een ring in de bast te zijn gehakt. Burtons’ manier om de satan uit te bannen. Later zal Vader Angelo, als hij er over hoort, bezorgd opmerken dat dat erg dom is, dat het de macht van de boom nog zou hebben kunnen vergroten.

Het land is woest
Vanaf dan gaat alles mis. De regen blijft uit. Als Jozef Elizabeth meeneemt naar de geheimzinnige plek tussen de dennen probeert ze op de rots te klimmen, glijdt uit, valt en breekt haar nek. Het gras wordt geel, het wild trekt weg, het vee verhongert. Uiteindelijk is er geen andere mogelijkheid dan met de nog levende have op zoek te gaan naar vruchtbaarder streken. Jozef, bijna oudtestamentisch: “… Het land is niet dood, maar het zinkt weg onder een macht die het te sterk af is. En ik blijf hier om het land te beschermen…”. Hij geeft zijn zoon mee aan zijn broer en schoonzus en blijft alleen achter op de van hitte zinderende, uitgedroogde ranche: “… Het tempo van de tijd was vertraagd en iedere gedachte waggelde even langzaam door zijn brein als de pad toen die uit het fijne stof te voorschijn kwam…”. Hij zoekt de rots tussen de dennen weer op en houdt het mos op het gesteente levend door er met zijn hoed steeds water uit het armetierige bronnetje over te gieten: “… ‘Hier is het veilig,’ dacht hij. ‘Hier is het zaad dat in leven zal blijven tot de regens weer beginnen. Dit is het hart van het land en het hart klopt nog.’ …”. Zijn gedachten gaan verder: “… ‘Ik vraag me af waarom het land zo haatdragend lijkt nu het dood is.’ Hij dacht aan de heuvels, die als blinde slangen met een gerafeld en half afgestroopt vel op de loer lagen rondom deze vesting waar het water nog stroomde. Hij zag in gedachten weer hoe het land het beekje opzoog voor het vijftig meter verder was. ‘Het land is woest,’ dacht hij, ‘als een uitgehongerde hond.’ …”. Hij heeft het idee dat hij de bron moet beschermen tegen de krankzinnig geworden omgeving en verschanst zich in het dennenbos.

Zelfopoffering

Alles heeft Jozef over voor het land. Hij gaat zelfs bij Vader Angelo langs om te vragen of hij tot de heilige maagd kan bidden voor regen. Maar Vader Angelo wil in de allereerste plaats bidden voor zijn ziel: “… God heeft voornamelijk te maken met de mens,’ zei hij, ‘en zijn vorderingen naar de hemel en zijn straf in de hel…”. Jozef wordt woedend. Vader Angelo is diep geschokt door zijn onverzettelijke taaiheid: “… Goddank dat deze man geen boodschap heeft. Goddank dat hij geen drang heeft om te blijven voortleven in de gedachten van de mensen, om volgelingen te werven, die in hem geloven.’ En in plotselinge ketterij: ‘Anders zou er misschien een nieuwe Christus opstaan hier in het Westen.’…”. Door een bijna spookachtige, winderige nacht rijdt Jozef terug naar de dennen: “… Ver vooruit blafte een prairiewolf een staccato-vraag en een andere antwoordde aan de overkant van de weg. Toen verenigde zich de twee stemmen in een hoog, gillend gegiechel dat werd meegedragen door de wind. Een derde vraag, uit een derde richting, en nu giechelden ze alle drie…”. En even verder: “… ‘Het zal niet lang meer duren,’ zei hij, ‘of de maan vliegt naar beneden en eet de wereld op.’…”. Uiteindelijk klimt hij boven op de rots om te slapen en snijdt hij met zijn mes zijn pols open: hij offert als het ware zichzelf. Terwijl zijn bloed wegvloeit begint de regen te ruisen. Al gauw komt het met bakken uit de hemel. In het dorp luistert Vader Angelo naar de mensen die met allerlei dierenvellen om uit hun huizen sluipen. De stampende bas van gitaren begint boven de regen uit te bonzen: “… Het dreunende ritme werd luider en dringender en de zingende stemmen werden schel en hysterisch. ‘Straks doen ze hun kleren uit,’ fluisterde de pastoor, ‘en wentelen ze zich in de modder. Ze zullen als varkens te keer gaan in de modder.’…”. Hij maakt geen einde aan de orgie: “… Zij verlangden zo naar regen, die arme kinderen. Ik zal zondag een preek voor ze houden. Ik zal iedereen een kleine boetedoening opleggen…”.

Uitgave: Bint – 2017, vertaling E.D. Veltman-Boissevain, 280 blz., ISBN 978 949 261 202 1, € 18,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

vrijdag 9 juni 2017

Wat is nieuw zonder oud? – Andries J. Visser


Ondertitel: Over de onmisbaarheid van het Oude Testament

Tegelijk met "Is dit onze Vader?" - zie mijn vorige blog - gaf iemand anders mij "Wat is nieuw zonder oud?" van Kierkegaardkenner Andries Visser. Je kunt het zien als een verdere uitdieping van het eerst genoemde boek. Het gaat over de relatie tussen het Oude en het Nieuwe Testament. Visser studeerde wiskunde, filosofie en theologie.

Vreemd

Ook Visser constateert dat het Oude Testament een voor ons nogal ‘vreemd’ boek is, waardoor het vaak op afstand wordt gehouden. Uit het voorwoord: “… In de Arabische kerken van het Midden-Oosten wordt zelden of nooit uit het Oude Testament gepredikt. Deze kerken staan in de traditie dat zij in de plaats van Israël zijn gekomen: de zogenaamde vervangingsleer. De kerk in West-Europa komt uit dezelfde traditie. Maar de verschrikkingen van de Holocaust en de stichting van de staat Israël in 1948 hebben de bezinning over deze leer op gang gebracht…”. De Joodse geleerde Martin Buber, die samen met Franz Rosenzweig in de vorige eeuw een zo letterlijk mogelijke vertaling van de Hebreeuwse Bijbel in het Duits heeft verzorgd, schrijft in een bijgaande slotopmerking dat de christelijke opvattingen over God en de Bijbel hem doen denken aan de bekende christelijke ‘ketter’ Marcion, uit de tweede eeuw. Marcion wilde geen andere Bijbelboeken erkennen “… dan een ‘uitgekleed’ (lees: ont-Joodst) evangelie van Lucas, tezamen met enkele evenzeer gekuiste brieven van de apostel Paulus. De god van de Hebreeuwse bijbel was een ‘demiurg’, een schepper-god, die niet verward moest worden met de Vader van Jezus Christus…”. Toch staat er in het boek Handelingen dat de Joden in de synagoge vol interesse luisteren naar de verkondiging van het evangelie door Paulus en vervolgens de Schriften gaan bestuderen om te checken of het wel waar is wat hij allemaal zegt (Handelingen 17:1-12). Paulus toonde aan de hand van teksten uit het Oude Testament aan dat de Messias moest lijden en sterven en daarna uit de dood opstaan. De Schriften bestonden uit ‘Mozes en de profeten’, want het Nieuwe Testament was er nog niet. Sterker: pas “… Omstreeks het midden van de tweede eeuw was er hier en daar bekendheid met een viertal evangeliën en met een flink aantal brieven van apostelen, maar tot een (definitieve?) vaststelling van de canon van het Nieuw Testament kwam het pas omstreeks het jaar 400…”. Die evangeliën en brieven kwamen natuurlijk niet zomaar in de Bijbel terecht: “… Ze berichtten over een nieuw spreken van God. In het verleden had hij ‘op velerlei wijzen en langs velerlei wegen tot de voorouders gesproken door de profeten’, maar nu had hij gesproken door zijn Zoon…”.

Vervanging of aanvulling?

Visser is niet gelukkig met de aanduiding ‘Oude en Nieuwe Testament’, omdat ze geassocieerd wordt met vervanging. En de term ‘wet en evangelie’ drukt volgens hem teveel een tegenstelling uit. Misschien is het beter te spreken over ‘evangelisten en apostelen’ als aanvulling op de geschriften van 'Mozes en de profeten'. De uitdrukking Nieuwe Testament heeft vooral te maken met het ‘nieuwe verbond’ dat God met Israël maakt en wordt meestal direct gelinkt aan de woorden van Jezus bij de instelling van het avondmaal: “… Deze beker (…) is het nieuwe verbond dat door mijn bloed gesloten wordt…” (Lucas 22:20). Israël bleek te onvolmaakt om de wetten die God aan Mozes op de berg Sinaï had gegeven te kunnen naleven. Daarom gaat God het anders aanpakken. Daar heeft Jeremia het in het Oude Testament al over: “… De dag zal komen – spreekt de Heer – dat ik met het volk van Israël en het volk van Juda een nieuw verbond sluit, een ander verbond dan ik met hun voorouders sloot toen ik hen bij de hand nam om hen uit Egypte weg te leiden. Zij hebben mijn verbond verbroken, hoewel ze mij toebehoorden – spreekt de Heer. Maar dit is het verbond dat ik in de toekomst met Israël sluiten zal – spreekt de Heer: Ik zal mijn wet (mijn Tora) in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven. Dan zal ik hun God zijn en zij mijn volk. Men zal elkaar niet meer hoeven te onderwijzen met woorden: ‘Leer de Heer kennen’, want iedereen, groot en klein, kent mij al – spreekt de Heer. Ik zal hun zonden vergeven en nooit meer denken aan wat ze hebben misdaan…” (Jeremia 31:31-34, zie ook Ezechiël 16:60, 20:37, 34:25, 36 en 37:26). Er wordt een geestelijke verandering, een radicale vernieuwing beloofd in de omgang van God met het volk Israël. Hun relatie krijgt een ander, een innerlijk karakter. Paulus zegt dan ook: “… Jood is men door zijn innerlijk (in zijn hart), en de (ware) besnijdenis is een innerlijke besnijdenis. Het is het werk van de Geest, niet van een voorschrift…” (Romeinen 2:29). Tussen haakjes, hij heeft niets tegen de besnijdenis, hoor! Ook bij Paulus is er dus sprake van een ‘nieuw’ verbond met een ‘oude’ inhoud.

De Tora toegespitst

De fanatieke godvereerder Paulus dacht dat hij een dwaalleer van een sekte aan het bestrijden was, maar het bleek juist de waarheid te zijn. De Tora is volbracht door Jezus de Messias. Zijn volgelingen zijn ‘nieuwe’ mensen die niets anders hoeven te doen dan ‘liefhebben’. Want dat is uiteindelijk de vervulling van de Tora. Midden in het boek Leviticus, in het centrum van de Tora, staat het gebod “… Heb je naaste lief als jezelf. Ik ben de Heer…”. Daar draaien alle geboden om: niet echtbreken (Mozes heeft in de Tora de echtscheiding wel toegestaan, maar de bedoeling, het ideaal is anders, zegt Jezus in Matteüs 5:27-36 en Matteüs 19:1-12), niet doden (zelfs iemand verwensen is al een vorm van doodslag volgens Jezus in Matteüs 5:21-26), het eren van je vader en moeder (ook Paulus dikt deze regel aan door de vaders er op te wijzen dat ze het daarom hun kinderen niet moeilijk moeten maken door constant op hen te vitten, zie Kolossenzen 3:20,21), niet stelen (in plaats van te stelen moet je eerlijk de kost verdienen met werken en als het even kan ook nog wat uitdelen aan de armen en behoeftigen). De Oudtestamentische wetten worden in het Nieuwe Testament dus zelfs nog wat toegespitst, nog wat radicaler, zou je kunnen zeggen. Als je de Tora, de ‘onderwijzing’ veracht, zal je liefde bekoelen, zegt Jezus (Matteüs 24:12).

Zonder het Oude Testament snap je niets van het Nieuwe Testament
Vervolgens haalt Visser een enorme reeks Nieuwtestamentische teksten aan die teruggrijpen op het Oude Testament. Neem alleen al het geslachtsregister, waarin een keur aan Oudtestamentische personages wordt genoemd, waarmee Matteüs begint: Abraham, Tamar, Rachab, Boaz, Ruth, David, Salomo, enzovoorts. Vervolgens beschrijft hij de geboorte van Jezus, waarbij hij voortdurend refereert aan het boek van de Psalmen en de profeten Jesaja, Jeremia, Hosea en Micha. Steeds gebruikt Matteüs uitdrukkingen als “… want aldus staat geschreven…” en “… dit is gebeurd opdat vervuld werd hetgeen gesproken werd door de profeet…” of “… toen werd vervuld het woord…”. Alles bij elkaar verwijst hij naar minstens 25 van de 39 boeken van het Oude Testament. Hij sluit daar dus naadloos bij aan. Ook Jezus valt constant terug op de Hebreeuwse bijbel. Jezus wijst de verzoeker in de woestijn tot drie keer toe terecht met teksten uit het boek Deuteronomium (zie Matteüs 4:4, 7, 10 en Deuteronomium 8:3, 6:16,13). Visser vergelijkt de veertig dagen en nachten die Jezus in de woestijn verblijft met de tocht door de woestijn in het boek Exodus (zie ook Hosea 2:13) en onderstreept de verheerlijking op de berg waar de Oudtestamentische Mozes en Elia verschijnen (zie Maleachi 3:4-6). Wat moeilijker voorbeelden: Jezus controversiële oproep “… Volg mij en laat de doden hun doden begraven…” (zie Matteüs 8:21,22), valt alleen te rijmen met wat er over de hogepriester staat in de Tora: “… Hij mag nooit in de nabijheid van een dode komen. Zelfs omwille van zijn vader of moeder mag hij zich niet verontreinigen…” (zie Leviticus 2:11, Numeri 19:11-22 en Numeri 6:1-7). Het volgen van Jezus heeft blijkbaar dezelfde ernst als het nazireeërschap. Als Jezus de discipelen uitzendt zegt Hij: “… Om niet hebben jullie ontvangen, om niet moeten jullie geven…”. Ook Abraham weigert een beloning van de koning van Sodom (zie Genesis 14:21-23) evenals Elisa, nadat hij Naäman de Syriër heeft genezen (zie 2 Koningen 5:16). Zijn knecht Gehazi denkt daar echter anders over. De zonen van Eli zijn schrikbeelden van priesterlijke roofzucht terwijl Mozes, Samuël, Jesaja, Daniël en Nehemia juist voorbeelden zijn van goddelijke onbaatzuchtigheid (zie 1 Samuël 2:13-17, Numeri 16:15, 1 Samuël 12:1-3, Jesaja 55:1, Daniël 5:17 en Nehemia 5:14-19). Als Jezus door de farizeeën wordt berispt omdat hij door de vingers ziet dat zijn discipelen op de sabbat aren eten geeft Hij hen lik op stuk door te verwijzen naar David, die zijn soldaten de toonbroden van de priesters in de tempel liet eten (zie Matteüs 12:1-8 en 1 Samuël 21:1-7 in verband met Leviticus 24:5-9). In de brief aan de Romeinen refereert Paulus in meer dan de helft van de teksten naar het Oude Testament. Van de 405 verzen die Openbaringen telt verwijzen er 263 naar het Oude Testament. Conclusie: zonder het Oude Testament snap je niets van het Nieuwe Testament.

Het nieuwe in het Nieuw Testament
Als het Nieuwe Testament teruggaat op het Oude Testament, waarom heb je die nieuwe boeken dan eigenlijk nog nodig? Omdat door het optreden van Jezus veel beloften uit het Oude Testament in vervulling zijn gegaan. De Hebreeënbrief heeft het over een ‘eerbiedwaardiger dienst’ waarvoor Jezus is aangesteld en zaken die ‘verouderd, versleten’ zijn en ‘de teloorgang nabij’. In 70 n. Chr. is de tempel verwoest. Al tweeduizend jaar wordt er inmiddels niet meer geofferd. Dat hoeft ook niet, want Jezus, de Messias, is als ‘de grote hogepriester’ gaan functioneren. Niet op aarde maar in de hemel. Paulus: “… De kern van mijn betoog is dat wij een hogepriester hebben die in de hemel plaatsgenomen heeft aan de rechterzijde van de troon van Gods majesteit en die de dienst vervult in het ware heiligdom, de tent die door de Heer en niet door mensenhanden is opgericht…” (Hebreeën 8:1,2). Ook in het Oude Testament is het al duidelijk dat het bloed van schapen en bokken geen zonden kan vergeven. Dat kan alleen God (zie Psalm 40:7-9, Psalm 50:8-15, Jesaja 1:11-17, Amos 5:21-24, Micha 6:6-8, Micha 7:18,19). De tempeldienst was enkel maar een schaduwdienst. De uiterlijke dingen moeten zich verinnerlijken: ‘Besnijd daarom je hart’. Het maakt niet uit op welke plek en onder welke omstandigheden je God aanbidt, als je Hem maar aanbidt in ‘geest en waarheid’. De mensen moeten ‘waarachtige aanbidders’ worden volgens Jezus: “… En daarmee zijn we bij dat andere aspect van het ‘nieuwe verbond’ waarover we al bij Jeremia hoorden: de Geest zal de Tora schrijven in het hart van mensen. Een wereldwijde werking van de Geest van God in de geest van mensen. Want juist doordat de mens geest is, kan hij beelddrager van God zijn en openstaan voor de werking van Gods Geest…”.

Het tegoed van het Oude Testament
Daarnaast gaat het in het Oude Testament over veel onderwerpen waar het in het Nieuwe Testament over zwijgt. De bekende theoloog K.H. Miskotte spreekt dan ook over een ‘tegoed van het Oude Testament’. Jezus en de apostelen veronderstellen blijkbaar dat die bekend zijn: “… In haast elke stad wordt de Tora van Mozes immers al sinds mensenheugenis verkondigd en op iedere sabbat in de synagogen voorgelezen…” (Handelingen 15:19-21 en 28-29). De apostel Jakobus over het omgaan met lijden: “… Jullie hebben gehoord hoe standvastig Job was…” (Jakobus 5:11). Ook het scheppingsverhaal vind je bijvoorbeeld niet in het Nieuwe Testament terug. Na zijn opstanding wijst Jezus de discipelen nadrukkelijk op de achtergrond van zijn missie: “… Toen ik nog bij jullie was, heb ik jullie gezegd dat alles wat in de Tora van Mozes, bij de profeten en in de Psalmen (het hele OT dus) over mij geschreven staat in vervulling moest gaan. Daarop maakte hij hun verstand ontvankelijk voor het begrijpen van de Schriften…” (Lucas 24:44,45). Verder staan er in het Oude Testament nog steeds beloften die niet zijn vervuld. Bijvoorbeeld over de verlossing van de hele wereld: alles komt uiteindelijk goed.

Aversie
Uitgebreid gaat Visser in op de aversie die bepaalde fenomenen in de Bijbelse cultuur oproepen. In de Tora is de vrouw ‘letterlijk’ minder waard dan een man: de tegenwaarde van een mensenleven was voor een man vijftig sikkels en voor een vrouw dertig sikkels. Visser: “… Maar in geestelijk opzicht deed een vrouw voor een man niet onder…”. Denk aan de profetes Deborah die richter (rechter en leider) was in Israël en Barak bij zich ontbiedt (Rechters 5:7). Denk aan de profetes Hulda: de priester Chilkia komt haar samen met vier andere belangrijke adviseurs van koning Josia raadplegen. Denk aan Abigaïl, die over haar eigen man, koning David zegt: “… Hij is een onbenul, zoals zijn naam al zegt…”. David prijst vervolgens haar verstand (1 Samuël 25:35)! Denk aan Ruth die meer waard was dan zeven zonen (Ruth 4:15). En zelfs de ‘vrouwonvriendelijke’ Paulus moet toegeven dat er geen onderscheid is tussen mannen en vrouwen: “… u bent allen één in de Messias Jezus…” (Galaten 3:27,28). Er bestond slavernij. Maar de Tora geeft regels voor een milde en eerlijke behandeling tussen heren en slaven die Visser vergelijkt met recente schandalen rond Oost-Europese arbeiders in ons eigen land, die dan wel geen slaaf waren, maar een stuk slechter af. Er werden veel dieren geslacht voor de offers, maar het aantal staat in geen verhouding tot de draaierig makende aantallen die jaarlijks alleen al in de Nederlandse vleesindustrie worden verwerkt: zo‘n 2 miljoen runderen, 15 miljoen varkens, 125.000 geiten en 750.000 schapen. Daarbij stelt God herhaaldelijk dat Hij meer behagen schept in het liefhebben van God en de naaste dan in slachtoffers en brandoffers. En over al het geweld. Het is geen excuus maar wel de realiteit: oorlogen zijn er altijd geweest. Zomaar een krantenbericht: in 2007 raakten meer dan 45 miljoen mensen betrokken bij gewapende conflicten. In de Psalmen wordt van God juist gezegd dat Hij ‘oorlogen doet ophouden’ (Psalm 46:10): “… En Israëls profeten laten weten dat er een tijd komt waarin god ‘zal richten tussen volk en volk en rechtspreken over machtige naties. En dan volgen direct daarop de indrukwekkende woorden die nu al (tamelijk voorbarig) geschreven staan op het gebouw van de Verenigde Naties: ‘Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk, geen mens zal meer weten wat oorlog is’…” (Jesaja 2:1-5, Micha 4:1-5).

Geloof, hoop en liefde

Visser legt uit dat in de Bijbel het woord ‘geloven’, dat vaak in het Nieuwe Testament voorkomt hetzelfde is als het woord ‘vertrouwen’, dat vaak in het Oude Testament wordt gebruikt. Hoop is de verwachting van de mogelijkheid van het goede en brengt Visser in verband met de grootse visioenen en beloften van profeten als Micha, Jesaja, Daniël, en Ezechiël. In het gesprek met de teleurgestelde Emmaüsgangers vraagt Jezus dan ook waarom ze niet geloven ‘in alles wat de profeten hebben gezegd’. Vervolgens verklaart hij hun de Schriften, te beginnen bij Mozes en de profeten. Het ‘grote gebod’ van de liefde heeft zoals gezegd zijn oorsprong in het boek van Leviticus. In de Tora is liefhebben een opdracht waarbij het er om gaat je voortdurend in de ander te verplaatsen. Aan de hand van de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus steekt Visser tenslotte nog eens een stevig pleidooi af voor het belang van het Oude Testament: als de vijf broers van de rijke man niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood opstaat (Lucas 16:19-31). Het punt dat Visser vooral maakt: “… Wie zichzelf verwijdert van de woorden van het OT kan Jezus niet werkelijk begrijpen. Zo iemand maakt Jezus los van zijn eigen bijbel, maakt hem los van Israël, maakt hem eigenlijk van God los. Maar wie dat probeert, verwijdert zich in wezen van de redding die God mensen aanbiedt, want ‘de redding komt immers van de Joden’. Zo iemand maakt zich los van ‘de woorden Gods’, die Israël zijn toevertrouwd, en hij vergeet dat Jezus alleen maar gezonden was ‘naar de verloren schapen van het huis van Israël…” (zie Johannes 4:22, Romeinen 3:1,2 en Matteüs 15:24).

Uitgave: Boekencentrum – 2010, 104 blz., ISBN 978 902 392 454 8, € 7,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 7 juni 2017

Is dit onze Vader? – Hetty Lalleman


Ondertitel: Waarom ik van de God van het Oude Testament houd

Vanwege het moslimterrorisme ligt niet alleen de Koran onder vuur maar ook de Bijbel, en met name het Oude Testament, omdat daar net zo goed barbaarse verhalen vol onvoorstelbare wreedheid in voor komen. Ik kreeg van iemand een indrukwekkende en uiterst leesbare verhandeling over deze materie: “Is dit onze Vader? ”. Docent Oude Testament dr. Hetty Lalleman studeerde theologie in Utrecht en promoveerde op een proefschrift over het Bijbelboek Jeremia aan Wycliffe Hall, Oxford. Sinds 2000 woont Lalleman in Londen met haar man, die docent Nieuwe Testament is. Van haar hand verschenen boeken over ethiek in het Oude Testament en verschillende commentaren op het boek Jeremia. Eerder besprak ik naar aanleiding van geweldteksten in de Bijbel: “Vreemd en bizar. Lastige Bijbelverhalen” van Piet Schelling (zie hier).

We dachten toch echt dat God liefde is

De afgelopen jaren heeft ‘religie’ een bittere klank gekregen: religie is de oorzaak van veel geweld in de wereld. Het zogeheten ‘nieuwe atheïsme’ doet daar een flinke schep bovenop: “… Professor Richard Dawkins, een fervent atheïst, maakt korte metten met het christelijk geloof. Hij vindt de Bijbel maar een gewelddadig boek en beschrijft God zelfs als iemand die volkeren uitmoordt, jaloers is en daar nog trots op is ook (The God Delusion, blz. 31)…”. Bij het nadenken over de relatie tussen religie en geweld komen mensen al snel terecht bij het Oude Testament: “… Staat daar niet het bevel in dat alle Kanaänieten vernietigd moesten worden toen Israël het beloofde land binnentrok? Staan er niet eindeloos veel oorlogen in het Oude Testament? En wat moet je met de ‘bede om wraak’ zoals je die zomaar ineens kunt tegenkomen in het verder prachtige boek van de Psalmen? En er is meer: wat moet je met al die gedetailleerde lijsten van voorschriften in Leviticus?...”. Ook veel christenen vinden dat moeilijk: “… We dachten toch echt dat God liefde is – of geldt dit misschien alleen voor het Nieuwe Testament?…”.

Wordt Israël aangezet tot genocide?
Veel mensen struikelen over teksten als Deuteronomium 7:2, “…Wanneer de HEER, uw God, u de overwinning op hen schenkt, moet u hen doden. U mag geen vredesverdrag met hen sluiten en hen niet sparen…”, en Deuteronomium 20:17, “… Alle Hethieten, Amorieten, Kanaänieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten moet u doden, zoals de HEER, uw God, u heeft opgedragen…”. Letterlijk staat er ‘in de ban slaan’, wat niet alleen bij Israël maar ook bij de omringende volken voorkwam. Dat betekent dat alles gedood wordt en toegewijd aan de godheid. In het Oude Testament dus aan God. Wordt Israël aangezet tot genocide? Lalleman neemt de lezer mee naar Deuteronmium 20 waarin je bijna een ‘antioorlogswet’ vindt. Opvallend is dat de nadruk heel sterk op God ligt die voor Israël strijdt – Israël heeft eerder een bijrol dan een hoofdrol. Normaal was oorlog de ‘job description’ van de koningen in het Oude Nabije Oosten en aan de orde van de dag. Er waren geen wetten voor. Er waren soms niet eens landsgrenzen. Het gaat er bij het volk Israël niet om een zo groot mogelijk rijk te krijgen: God geeft aan Abraham de grenzen van het land aan en daar blijft het bij (Genesis 15). Verder is het bijzonder dat volgens de wet het leger eerst kleiner in plaats van groter moet worden gemaakt. Nadat de priester het volk erop heeft gewezen dat God de strijd in handen heeft, mogen de mannen die net een nieuw huis hebben gebouwd naar huis om het te bewonen voor een ander het inpikt. Mogen degenen die net een wijngaard hebben gepland naar huis om van hun eerste druiven te genieten. Mogen degenen die net zijn getrouwd terug naar hun bruid. En degenen die bang zijn voor de strijd kunnen ook maar beter weg gaan, want dat is ontmoedigend voor de andere soldaten. Een klein maar gemotiveerd leger blijft over (zie het verhaal over Gideon waarin verder nog een selectie wordt gemaakt aan de hand waarop de mannen water drinken). Het ideaal voor Israël is geen oorlog maar vrede, getuige het verhaal over koning David die geen tempel mag bouwen voor God omdat hij teveel bloed aan zijn handen heeft (1 Kronieken 28:3). Verder moet er aan de volken buiten het beloofde land eerst vrede worden aangeboden. Als die wordt afgewezen mag men aanvallen, anders niet: “… Israël heeft maar zeer beperkt recht om oorlog te voeren. Er is evenmin sprake van volkenhaat of van superieur zijn ten opzichte van anderen…”.

Hoe zit het dan met de Kanaänieten?
Met de Kanaänieten die in het beloofde land wonen, en uitgeplitst kunnen worden in zeven bevolkingsgroepen, is het anders. Weer ligt de nadruk op dat God zélf de volken op de vlucht zal jagen. Blijkbaar worden niet alle Kanaänieten uit de weg geruimd, want de Israëlieten krijgen van te voren op het hart gedrukt dat ze niet met hen mogen trouwen. De Kanaänieten moeten uitgeroeid worden omdat hun afgoderij ‘levensgevaarlijk’ is. Meedoen betekent: exit Israël. En er is meer. God veroordeelt bepaalde volken omdat ‘de maat van hun zonden vol is’. Israël moet Gods oordeel voltrekken (zie Genesis 15:16 in verband met Deuteronomium 9:4-6). Lalleman haalt de bekende archeoloog, professor Alan Miljard aan, die vertelt dat de Kanaäanieten extreem gewelddadig waren. Ook naar elkaar. Er zijn kleitabletten gevonden die inzicht geven in de religie van hun god Baäl en zijn grenzeloos bloeddorstige zus Anat. Uit het boek “Een tijd van oorlog, een tijd van vrede” van professor Klaas Smelik: “… En zie, Anat vocht in de vlakte, vocht tussen de twee steden, versloeg het volk van de kuststreek, verpletterde de mensen van de zonsondergang. Onder haar lagen als ballen de hoofden, over haar vlogen als cicades de handpalmen, als een zwerm sprinkhanen de handpalmen van de soldaten. Zij maakte hoofden vast aan haar rug, zij omgordde haar lendenen met handpalmen. Haar knieën dompelde zij in het bloed van de strijders, haar ledematen in het binnenste van de soldaten …” (blz. 32) en “… Haar lever zwol op van het lachen, haar hart vulde zich met vreugde, de lever van Anat met triomf, toen zij haar knieën dompelde in het bloed van de strijders…” (blz. 33). De God van Israël gaat daarentegen de strijd nooit aan uit ‘willekeur’, Hij heeft geen ‘zin in oorlog’ zoals Anat, en is er ‘niet blij mee’. Bovendien strijdt Hij nooit met andere goden, want er is maar één God. Daarnaast is er in Kanaän sprake van kinderoffers en waarzeggerij: zaken die zwaar verboden zijn voor de Israëlieten. Uit de boeken Jozua en Richteren wordt duidelijk dat Israël niet alle Kanaänieten heeft kunnen verdrijven. Het feit dat ‘het hele land’ veroverd moest worden moet niet als historisch onjuist gelezen worden. Volgens Lalleman hoort overdrijving bij de literatuur uit het Oude Nabije Oosten. Net zoals wij het hebben over ‘er was geen mens te bekennen’ of ‘de hele wereld kijkt uit naar de geboorte van een prins of prinsesje’: de hele wereld? Uit archeologisch onderzoek blijkt dat de plaatsen Jericho en Ai militaire forten waren. Vandaar dat er geen bewijs voor bevolking is gevonden. De prostituee Rachab zal dan ook vanwege haar beroep in Jericho hebben gewoond. Dat de Israëlieten niet behept waren met ‘vreemdelingenhaat’ bewijst haar spontane opname in het verbondsvolk, als ze het geloof in de God van Israël aanneemt. Zie ook Ruth, de Moabitische. De andere twee grote oorlogen in Jozua 10 en 11 zijn defensief van aard. Om buurvolken te imponeren en af te schrikken beschreven de Assyriërs hun gruwelijkheden uitgebreid: hoe ze mensen doodden, levend vilden, enzovoorts. Het Oude Testament blijft wat dat betreft sober.

Voor een goed en rijk leven hebben mensen veel over
Waar het de God van Israël om gaat is dat het volk ‘anders’ zou zijn. Heilig. God heeft Israël uitverkoren als een soort ‘modelboerderij’, zodat andere volken kunnen zien hoe het is om ‘volk van God’ te zijn: “… Het is de bedoeling dat zij ook God willen dienen doordat ze onder de indruk raken…”. Door Israël heen wil God de andere volken zegenen. Dat lukt slecht. Steeds gaat Israël weer mee in de verering van de goden waar ze mee geconfronteerd wordt. Waarom was het zo buitengewoon aantrekkelijk om de Baäl van de Kanaänieten te dienen? Hun afgodendienst draaide om een vruchtbaarheidscultus: Baäl zou de vruchtbaarheid van land, mens en dier bevorderen. Deze vruchtbaarheid werd door seksuele praktijken in het heiligdom op gang gebracht (tempelprostitutie). En het land wás ook heel vruchtbaar. “… Voor een goed en rijk leven hebben mensen veel over…”. Als de Israëlieten niet luisteren overkomt hen hetzelfde als de Kanaänieten. Ook zij gaan ten onder. Voortdurend is Israël tegendraads. Steeds treden er rechters en profeten op die Israël tot inkeer willen brengen. Volgens Deuteronomium 17 is het toegestaan dat Israël een koning kiest maar deze mag geen paarden en strijdwagens, geld en vrouwen verzamelen, en elke dag moet hij de woorden van God lezen, zodat hij er mee doordrenkt raakt. De Israëlische koningen van Israël staan niet slecht bekend. De adviseurs van de Syrische koning Benhaded zeggen in 1 Koningen 20:31 tegen hem: “… We hebben gehoord dat de koningen van Israël genadige koningen zijn. Laten wij een boetekleed aantrekken en een touw om onze nek doen en zo de koning van Israël tegemoet gaan, misschien spaart hij dan uw leven…”. In het Oude Testament kom je een reële wereld tegen, in het Nieuwe Testament gaat het veeleer om een geestelijke oorlog. Jezus zegt herhaaldelijk dat zijn koninkrijk niet van deze wereld is. En Paulus: “… Onze strijd is niet gericht tegen mensen maar tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen…” (Efeziërs 6:12). Uiteindelijk zal volgens Openbaringen alles wat tegen God ingaat veroordeeld worden en een wereld zonder oorlog, dood en geweld ontstaan waarover God alsnog Koning wordt.

Zonde: een bloedserieuze zaak
Is de God van het Oude Testament rechtvaardig? Lalleman laat met een keur aan teksten over oordeelsaankondigingen zien dat zonde een bloedserieuze zaak is. Maar: “… In al deze woorden van de profeten wordt aan het volk Israël duidelijk gemaakt wat er fout is gegaan en waarom het oordeel over hen is gekomen. Net als in de verhalen over de ontmoetingen tussen Mozes en de farao vindt er in de rest van het Oude Testament geen oordeel over Israël plaats zonder waarschuwing. De ‘onheilsaankondigingen’ zoals we ze bij de profeten aantreffen (in Jesaja tot en met Maleachi) worden altijd gemotiveerd: ‘dit en dit is er fout gegaan, dit zijn de consequenties’…”. Het oordeel komt nooit zomaar uit de lucht vallen. Er zal een eind komen aan alle onrecht omdat God dat niet tolereert. Liefde, waarheid en oordeel sluiten elkaar niet uit: “… Dat God ook oordeelt betekent dat het kwaad nooit zal winnen. Aan onze gebroken werkelijkheid komt een eind. Aan het onrecht dat door onderdrukkers wordt begaan tegen onschuldige mensen komt een eind. Als God alleen maar ‘lief’ was zou er niets veranderen aan situaties waarin het recht met voeten wordt getreden… “. Over het verhaal van Achan in Jozua 7, die met heel zijn huis en have wordt omgebracht omdat hij wat van de oorlogsbuit heeft achterover gedrukt, zegt Lalleman dat het waarschijnlijk om voorwerpen ging die met afgoderij en andere duistere praktijken te maken hadden. Alles wat tot zonde verleidt moet radicaal worden opgeruimd. Nergens klinken protesten van omstanders. Op andere plaatsen, zoals in de Psalmen, klagen mensen wel degelijk als ze vinden dat ze onrechtvaardig behandeld worden. In Ezechiël 18 gaat het over ballingen die het onrechtvaardig vinden dat ze zijn weggevoerd. Waarom moeten ze opdraaien voor de zonden van hun (voor-) ouders? Uit Ezechiël 20:30,31 blijkt dat ze geen haar beter zijn dan hun voorgeslacht. Ze vereren nog steeds afschuwelijke afgoden waaraan ze nota bene hun eigen kinderen offeren. God zegt dat Hij straft tot in het derde en vierde geslacht (in Israël woonden de generaties bij elkaar, dus beïnvloedt afgoderij van de ene generatie direct de andere generatie), voor zover ze Hem haten. Maar zijn liefdevolle trouw gaat door tot in het duizendste geslacht, oftewel, is eeuwig. God laat zijn volk niet en nooit los. In Jeremia 31:31-34 zegt God dat er een dag zal komen dat hij zélf zal ingrijpen en de mensen van binnenuit veranderen. Jezus Christus verwijst naar deze verzen als Hij bij het eerste Avondmaal spreekt over 'het nieuwe verbond door zijn bloed' (Lucas 22:20).

Overwin het kwade door het goede
In Psalm 58 worden mensen die het recht verdraaien vergeleken met leeuwen die met hun kaken onschuldige dieren aanvallen en verslinden. Als het gaat over ‘sla hun de tanden uit de mond’ wordt dat dus bedoeld als beeldspraak. Als een land onrechtvaardige rechters heeft staat heel de samenleving op losse schroeven. Zie 1 Samuel 8:3, Amos 5:7, 10 en 12, Micha 3 en verder Exodus 23:1-2 en 6-8. De dichter van Psalm 58 ziet van eigen wraakneming af en laat alles aan God over. De wetgeving in het Oude Testament is vergeleken met de andere volken buitengewoon democratisch. Nooit mag een straf zwaarder zijn dan het vergrijp: oog om oog, tand om tand. Op stelen staat geen doodstraf zoals overal elders. Moord en doodslag worden heel zwaar aangerekend omdat elk leven even kostbaar is. Bij andere volken had dat te maken met je status. Het leven van een slaaf was niets waard. Er zijn twee getuigen nodig wil een aanklacht rechtsgeldig zijn. Vonnissen moeten eerlijk zijn. Je kunt niet zomaar iemand veroordelen. Je kunt ook niet zomaar iemand vrijuit laten gaan die wél schuldig is. In het Nieuwe Testament zet Jezus daar een nog radicalere aanpak tegenover. Schelden is al een vorm van doden. Om de vicieuze cirkel van wraakneming te doorbreken daagt Jezus in Matteüs 5:38-41 zijn toehoorders uit juist het tegenovergestelde van wat verwacht wordt te doen. Stapel gloeiende kolen op het hoofd van je vijand. Overwin het kwade door het goede (ik moest gelijk denken aan het benefietconcert van Ariana Grande in Manchester waar ik nog steeds tranen van in mijn ogen krijg, en niet omdat ik die muziek zo geweldig vind…).

Waarom lijden rechtvaardige mensen?
Naar aanleiding van Job zegt Lalleman het een en ander over het lijden van rechtvaardige mensen. Ze tekent daarbij aan dat er in het Oude Testament nog niet zo’n zicht is op leven na de dood en de rol van satan als in het Nieuwe Testament. Duidelijk is dat Job ondanks alles God blijft vasthouden en dat God alles in de hand heeft. Ook de profeet Jeremia lijdt nameloos onder de zonden van Israël. God verantwoordt zich nergens, maar duidelijk is wel dat Hij mee-lijdt. Een medelijden dat zich omzet in reddend handelen. In het Nieuwe Testament krijgt het lijden nog een andere dimensie doordat Jezus plaatsvervangend lijdt (zie Jesaja 53:4-6 en 10-12). Volgelingen van Jezus zijn niet verzekerd van instant succes, integendeel, zie Matteus 5:10-12. Het perspectief op leven na dit leven houdt wel in dat het lijden op aarde tijdelijk is. En dat Christus aanwezig is in het lijden: zie Romeinen 8:35-39.

Wees heilig want ik ben heilig
Verder gaat Lalleman nog in op de enorm gedetailleerde wetgeving in het Oude Testament. Opvallend is dat de offers niet zoals overal elders gezien worden als ‘voedsel voor de goden’. Opvallend is ook dat er een enorme nadruk ligt op de zorg voor de zwakken en armen en op de medemenselijke omgang met slaven en vreemdelingen. De wetten bestaan vooral uit sociale regels die te maken hebben met de relatie tussen jou, God en de naaste. In tegenstelling tot de kibbelende en ruziënde goden van de omringende volken staat de God van Israël voor heiligheid, volkomenheid en heelheid. Vandaar ook de vreemde regels over dat een kledingstuk niet uit verschillende stoffen mag bestaan, enzovoorts: God is een persoonlijkheid 'uit één stuk'. De priesters moeten het karakter van God weerspiegelen. Het land wordt gezien als erfdeel van God waarin het concreet zichtbaar zou moeten zijn wat het betekent God te dienen. Elke Israëliet heeft recht op een stukje ‘erfenis’. Er mag dan ook geen sprake zijn van grootgrondbezit. Om het vijftigste jaar, het jubeljaar, moet elk stuk verkocht land teruggegeven worden aan de oorspronkelijke eigenaar. God staat voor leven: geen dodenverering dus, geen enorme piramides, het eten van aaseters is verboden. Israël vertegenwoordigt een stukje ‘verloren paradijs’. In het gedrag van het volk moet Gods karakter als het ware reflecteren: “… Wees heilig, want ik, de HEER, jullie God, ben heilig…” (Leviticus 19:2). Er komt niets van terecht. Uiteindelijk kun je alleen in Jezus ‘de ideale Israëliet’ zien. Dus is God tóch liefde: “… Ach Efraïm, hoe zou ik je ooit kunnen prijsgeven? Hoe zou ik je kunnen uitleveren, Israël? Zou ik je prijsgeven als Adma, je laten ondergaan als Seboïm? Mijn hart wordt verscheurd, door barmhartigheid word ik bewogen. Ik zal mijn toorn laten varen en Efraïm niet opnieuw te gronde richten. Want God ben ik, en geen mens, ik ben in jullie midden, ik ben heilig, ik zal niet meer in woede ontsteken. De HEER zal brullen als een leeuw en zij zullen hem weer volgen. Wanneer hij brult, keren ze schuchter terug van overzee, als bange vogeltjes komen ze uit Egypte, als duiven uit Assyrië. Dan laat ik hen wonen in hun eigen huis – zo spreekt de HEER…” (Hosea 11:8-11).

Uitgave: Ark Media – 2013, 112 blz., ISBN 978 903 380 042 9, € 12,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier