Menu

zondag 26 februari 2017

Het evangelie volgens Pilatus – Eric-Emmanuel Schmitt


Voor de Franse schrijver Eric-Emmanuel Schmitt is de ‘opstanding’ van Jezus net zo allesbepalend als voor Tom Wright (zie mijn vorige blog). Zijn roman “Het evangelie volgens Pilatus” bestaat uit drie delen. In de proloog kruipt hij in de huid van Jezus. Dan volgt het feitelijke verhaal: een brievenroman die de Romeinse stadhouder Pontius Pilatus - die zijn handen ‘in onschuld waste’ na de veroordeling van Jezus - schrijft aan zijn broer Titus. Tot mijn verrassing verantwoordt Schmitt zichzelf tenslotte in een naschrift als auteur. Want kan dat eigenlijk wel: jezelf de rol van Christus toe eigenen? En hoe waren de reacties toen Schmitt met zijn boek op de proppen kwam? Immers, zoals Wright ook al opmerkte, zo goed staat God er niet voor in onze westerse cultuur. Eerder besprak ik van Schmitt “Het kind van Noach”.

Diep in mezelf vind ik niet mezelf

De ondertitel van de proloog: ‘Bekentenis van een terdoodveroordeelde op de avond van zijn arrestatie’. Het is een beschrijving van Jezus die terugblikt op zijn leven terwijl hij wacht op zijn arrestatie in de Olijfhof. Schmitt zet hem neer als een soort kruising tussen de onschuldige Aljosja uit Dostojevski’s “De gebroeders Karamazov”, de wandelaar Harold Fry die ondanks zichzelf navolgers trekt uit “De onwaarschijnlijke reis van Harold Fry” en de heilige Franciscus van Assisi. Hij noemt hem trouwens niet Jezus, maar Yechoua.
Als dromerig kind stuit Yechoua voor het eerst op zijn grenzen als hij merkt dat hij niet kan vliegen. Hij groeit op tot iemand voor wie niets vanzelfsprekend is. Eindelijk verliefd, tot grote vreugde van zijn moeder, verbreekt hij zijn verloving weer omdat hij het 'egoïstische' geluk niet wil verkiezen boven de 'algemene' liefde. Hij houdt van iedereen. Terwijl hij planken staat te schaven in zijn timmermanswerkplaats functioneert hij als praatpaal voor de hele omgeving. Hij laat zich dopen in de Jordaan door de laatste Joodse profeet, zijn neef Yohanan, waarna hij met zijn discipelen het land in trekt als onbegrepen prediker en genezer: “… Het wemelde van de messiassen in Galilea. Er ging geen halfjaar voorbij of er verscheen er wel een. De redder verscheen onveranderlijk vuil, uitgemergeld, met lege maag, starende blik en begiftigd met een radheid van tong waardoor zelfs de libellen aan zijn lippen hingen. De mensen namen hem nauwelijks serieus, maar ze luisterden wel: ‘voor het geval dat’, zoals mijn moeder zei. – Voor het geval dat wat?
– Voor het geval dat hij de echte zou zijn. Steevast kondigde hij het einde van de wereld aan, een duisternis waarin alleen de rechtvaardigen zouden overleven, een nacht die ons in één keer van alle Romeinen zou bevrijden. Toegegeven, in ons leven van noeste arbeid was een onderbreking om te luisteren naar de vurige toespraken van deze verlichte zielen zeer welkom. Zij brachten zoveel onzin te berde die in ons hoofd nooit zou zijn opgekomen, dat het onze favoriete voorstelling werd. Bovendien maakten ze ons bang maar nooit langer dan de duur van de toespraak, een angst zonder gevolgen. Sommigen wisten zelfs de meute aan het huilen te krijgen. Die waren zeer geliefd. Maar van hun woorden bleef weinig hangen. Eigenlijk waren het verhalenvertellers en Joden zijn daar dol op…”
. Yechoua wil geen politiek leider zijn, maar een gids voor de ziel. Het gaat hem niet om een uiterlijke, maar innerlijke omwenteling. Steeds vertelt hij hoe hij zijn Vader ontmoet als hij inkeert in zichzelf. Hij verdedigt de religie van het hart tegen die van de letter. Zijn volgelingen bestaan voornamelijk uit een stelletje landlopers, luiwammesen, nietsnutten en hoeren, aldus zijn familie, die zich voor hem schaamt en hem voor gek verklaart. In Jeruzalem wordt hij met argusogen bekeken: “… Het enige waar ik in slaagde was dat ik elke dag een beetje meer verfoeid werd door de priesters, de schriftgeleerden, de Sadduceeërs en de Farizeeën. Zij achtten mij in staat het volk te raken en bijeen te brengen door een andere manier van praten en denken over God, maar daarin waren zij optimistischer dan ik…”. Als Yechoua zich uitlegt tegenover zijn moeder legt Schmitt hem wat mij betreft zo ongeveer de kortste en mooiste beschrijving van mystiek in de mond die ik ooit heb gevonden: “… Mama, diep in mezelf vind ik niet mezelf…” (zie bijvoorbeeld ook “De geschiedenis van mijn leven” van George Sand).

Wonderen
Over Yechoua’s rol als wonderdoener: “… Ik wilde geen mensen beter maken. Ik verbood de discipelen om nog langer zieken in mijn buurt te laten komen. Maar hoe kun je het echte lijden negeren? Als dus een verzwakt kind of een onvruchtbare vrouw in tranen voor me stond, liet ik me toch weer verleiden. De misverstanden stapelden zich op. Men schreef mij wonderen toe die geen enkel verband hielden met mijn genezingen. Men zag mij brood vermenigvuldigen in lege manden, wijn in lege vaten, vissen in lege netten. Al die zaken zijn wel echt gebeurd, ik was er zelf bij, maar je kon die ook op een natuurlijke manier verklaren. Vaak verdacht ik mijn leerlingen… op de vleugels van hun passie, zijn zij zoals elke echte Jood, in staat om enorm te overdrijven, dus waarom niet als het over mij ging? Hebben zij die zogenaamde wonderen in scène gezet? Hebben zij zelf de vaten met wijn gevuld? Hebben zij de toevallige aankomst van een school vissen in het meer van Tiberias niet expres verzwegen? Ik zou het niet kunnen bewijzen, maar ik denk het wel. En hoe zou ik het ze kwalijk nemen? Het zijn gewone kerels, mannen van hier, licht ontvlambaar, die mij mateloos vereren, zich tegenover onze vijanden moeten verweren en zich ten overstaan van hun familie moeten rechtvaardigen. Zij lezen onze geschiedenis door de ogen van hun passie. Zij willen overtuigen, en als men wil overtuigen, gaan goedgelovigheid en bedrog vaak samen. Ze zijn zo overtuigd van de waarheid van mijn woorden dat zij het niet zo nauw hoeven te nemen. Als het echte verhaal niet werkt, doen ze er een schepje bovenop. Het doet er ook weinig toe of het ene wonder reëel is en het andere niet! De ware schuldigen zijn de goedgelovigen, degenen die bedrogen willen worden…”. In het verhaal van Schmitt is niet Johannes, maar de verrader Judas, ‘Yehoudah Iskariot’, de meest geliefde discipel van Yechoua. Yehoudah is het die samen met Yechoua de Schriften bestudeert en hem overhaalt zichzelf als de Zoon van God, de Messias, te zien. Yehoudah levert zijn Meester willens en wetens en met diens volledige instemming en zelfs aandringen over aan de Romeinse soldaten. Yechoua weet wat hem te wachten staat. Yechoua regisseert zijn eigen dood. Echter, als Yechoua zich laat kruisigen zal Yehoudah zelfmoord plegen. Hoe Yechoua ook tegen dit besluit in gaat, hij heeft geen poot om op te staan.

Detective
Het verhaal van Pilatus is opgebouwd als een tegendraadse detective. De botte Pilatus haat Jeruzalem. Hij moet er de orde bewaren tijdens de Paasdagen, als het inwonertal van de stad zich vervijfvoudigd. Om de tempelkliek te vriend te houden laat hij de onschuldige magiër, Yechoua uit Nazaret, kruisigen. Tot leedwezen van zijn door Yechoua genezen vrouw Claudia, die hij adoreert. Hij knalt bijna uit elkaar als hij hoort dat het lijk is verdwenen, gaat polshoogte nemen, concludeert dat de inmiddels gegeselde bewakers van het graf gedrogeerd moeten zijn door wijn waarmee gerotzooid is en beveelt dat het lichaam terug gevonden moet worden voor de pleuris uitbreekt onder het volk. Hij spoort de ontgoochelde discipelen op, maar de sukkels weten van niets. Eentje denkt dat de engel Gabriël het lichaam van Yechoua heeft meegenomen. Wat moet hij met die onzin?! Plotseling herinnert hij zich de aristocratische herenboer Yoseph van Arimathea die toestemming vroeg om het lijk te begraven. Misschien weet Yoseph meer. Hij treft zijn bedoening overhoop gehaald aan en vindt Joseph en de zijnen gekneveld in de wijnkelder. Gemaskerde overvallers zijn Pilatus voor geweest. De Joodse hogepriester Kajafas en zijn kornuiten van het sanhedrin? Wie anders? Als hij de grafbewakers voor de tweede maal tegenkomt, dit keer ladderzat, verneemt hij dat ieder dertig zilverlingen zwijggeld van Kajafas heeft gekregen. Ze moeten hun mond houden over het lege graf. Plotseling gaat bij Pilatus een licht op. Heeft Kajafas het lijk laten verdwijnen? Waarom zoekt hij anders zijn medewerking niet? Ze willen toch allebei religieuze waanzin voorkomen? Dan komt Kajafas in alle staten het paleis binnen vallen. Yechoua leeft weer! Volgens een vrouw. En niet zomaar een vrouw. Salome zou hem gezien hebben. De bloedmooie dochter van de Joodse tetrarch Herodes. Degene die het hoofd van Yohanan de Doper op een schaal kado kreeg vanwege een erotische danspartij. Weliswaar op aandringen van haar doortrapte moeder Herodias; maar toch. Niets om je zorgen over te maken, besluiten Pilatus en Kajafas gezamenlijk. Salome is getikt. In ieder gezin loopt er wel eentje rond die ze niet allemaal op een rijtje heeft. Vervolgens komen ze echter de statige hoer Mirjam van Magdalena tegen, die op haar ezel op weg is naar het oude moedertje van Yechoua. Ook zij zegt de Messias ontmoet te hebben. Tegen de avond duiken er verder nog twee Pelgrims uit Emmaüs op, die overal rondbazuinen dat ze met Yechoua hebben gegeten en gedronken. Wat deze getuigen verbindt is dat de ontmoetingen zich allemaal hebben afgespeeld in de buurt van Herodus. Zou Herodus in al zijn schijnheiligheid de Messias willen gebruiken om een volksopstand tegen Rome te ontketenen? Pilatus gaat verhaal halen, maar krijgt wederom nul op zijn rekest. Herodias doet hem de suggestie aan de hand dat hij mogelijk met een dubbelganger van doen heeft. Tenslotte verschijnt Yechoua zelfs aan zijn geliefde vrouw Claudia.

Innerlijk: vergeven van liefde
Incognito gaan Pilatus en echtgenote bij de voorname rechtsgeleerde Nicodemus langs. Aan de hand van de Profeten legt deze uit dat Jezus de Messias moet zijn die van meet af aan beloofd is. Zelfs een reislustige neef vertelt dat diverse buitenlandse orakels de komst van een bijzondere koning aankondigen, geboren in het sterrenbeeld vissen. De lucht gonst letterlijk van verwachting. Claudia is om, trekt in haar eentje met ettelijke andere pelgrims naar Galilea, omdat de Messias heeft aangekondigd daar te verschijnen. Pilatus kan niet geloven. Wordt gek van zijn gepieker. Een arts vertelt hem dat de dood aan een kruis gemiddeld pas na drie dagen optreedt. Het is een langzame foltering. Vijf uur is belachelijk kort. Is Jezus misschien helemaal niet overleden? Iemand heeft zijn kruis helpen dragen op weg naar Golgotha. Een medeplichtige? Het moet doorgestoken kaart zijn geweest. Dat kan niet anders. Maar de volgende dag vertelt de arts dat hij er nog eens goed over nagedacht heeft en tot een andere conclusie is gekomen. De Nazarener had al achtenveertig uur niet gegeten. Hij moet uitermate zwak zijn geweest. Getuigen vertelden dat er bloed op zijn voorhoofd parelde tijdens de arrestatie. Een verschijnsel dat door een Griekse collega al eens is beschreven. Een uitzonderlijke vorm van zweten dat een symptoom is van een ernstige ziekte. Bovendien was hij gemarteld en gegeseld. Die man moet al zo goed als dood zijn geweest voor hij op het kruis werd gespijkerd.
Pilatus gaat zelfs zover dat hij zich in het graf van Yechoua laat opsluiten, waardoor hij merkt dat de damp van mirre en aloë hem zo ongeveer vergiftigt. Ook Pilatus gaat als pelgrim op weg. Om zijn vrouw te zoeken. Dan stuit hij op de discipelen. Met blinkende ogen vertellen ze hoe hun geliefde Meester is opgenomen in een schitterend licht… Aan hen de opdracht ‘Het goede nieuws’ (zie wederom Tom Wright) aan iedereen te vertellen die het maar horen wil. Dit is wat Pilatus er uiteindelijk van snapt (in een brief aan Titus):
“… Het gaat in feite om een Koninkrijk dat even concreet is als abstract: deze wereld maar anders door het woord van God. Uiterlijk hetzelfde, maar innerlijk: vergeven van liefde. Elk mens zal zichzelf veranderen. Dit Koninkrijk komt, zodra de mensen daarvoor kiezen. Als het zaad in slechte aarde valt, verdroogt en sterft het. Als het echter in goede aarde valt, groeit het en draagt vrucht. Het woord van Yechoua betekent pas iets als mensen er ontvankelijk voor zijn. Zijn boodschap verwerkelijkt zich alleen in mensen die echt willen liefhebben. Ik weet nog niet wat ik er werkelijk van denken moet, mijn beste broer. Om er iets van te begrijpen moet ik al mijn energie inzetten. Later zal ik me een oordeel vormen. Voorlopig waardeer ik het dat Yechoua niets omvergooit en niets forceert, maar keer op keer een beroep doet op de vrijheid van zijn toehoorders. Wat een verschil met de priesters die je om de oren slaan met dogma’s, de filosofen met hun redeneringen, de advocaten met hun retoriek. Yechoua dringt je niets op, redeneert niet en probeert niet te overtuigen. Hij zoekt naar een innerlijke bereidheid, een deur die we vrijwillig zullen openen, en onder die voorwaarde biedt hij zijn boodschap aan, zijn oriëntatie, een andere manier van leven…”.

Fictie
In het laatste deel, dat zich afspeelt in het jaar 2000, voert de schrijver zichzelf ten tonele. Hij vertelt hoe hij zeven jaar gewerkt heeft aan zijn roman, hoe Jezus vlees en bloed voor hem werd. En dan wordt zijn computer gestolen. Als hij heel het boek heeft herschreven vindt hij alsnog de diskette terug waar het eerdere verhaal op staat: hij gooit hem gefrustreerd in het haardvuur.
Hij beschrijft hoe de onverenigbare teksten van de Evangeliën hem ertoe brachten te geloven: “… Die verschillen tussen de vier teksten, de ongelijksoortige kwaliteit en hun tegenstrijdigheden stoorden en boeiden me tegelijkertijd. Als tijdens een rechtszaak de verslagen niet met elkaar overeenstemmen, zo herinnerde ik me, bewijst dat in het algemeen juist de oprechtheid van de getuigen; alleen valse getuigen vertellen exact hetzelfde. In de psychiatrie weet men eveneens dat iemand met een trauma, een slachtoffer van geweld, nooit precies zal weten te vertellen wat hem is overkomen, een leugenaar zal daarentegen alles woordelijk herhalen…”. We zijn er niet bij geweest dus vereist de openbaring van Jezus in het christendom een dubbel vertrouwen. Vertrouwen in God en een vertrouwen in de mens: “… Ieder die zichzelf intelligenter of slimmer beschouwt dan allen die hem zijn voorgegaan, kan geen christen worden. Ik vrees dat onze narcistische tijd, die zich boven alle voorgaande eeuwen verheven acht, niet in staat is om deze boodschap verder te helpen. Zonder een zekere nederigheid, zonder aandacht voor de getuigen, zonder een minimum aan begrip voor de vroegere gelovigen, kan men Jezus niet kennen. Het christendom heeft onze levens nodig om voort te bestaan, onze herinnering om herinnerd te worden. Het is een collectief oeuvre, werk in uitvoering, steeds opnieuw…”. Geloof is een gave. Hij vertelt dat zijn vader, hoewel zelf onmachtig te geloven, hem het besef bijbracht dat onze levens zich afspelen tegen een achtergrond van een ondoorgrondelijk mysterie. Zijn moeder was de enige in het gezin die diepgelovig was: “… Maar hoe werkt dat, het geloof? Geen mens die het weet. Hij is net zomin schuldig omdat hij het niet kon ontvangen, als zij omdat ze het niet aan hem kon doorgeven…”.
Schmitt is zich terdege bewust dat hij vanwege zijn boek beticht kan worden van heiligschennis, dat hij de grenzen heeft opgezocht van wat christenen nog wel of niet meer accepteren. Maar hij verdedigt zich door te beargumenteren dat hij de clichés, vastgeroeste beelden en impliciete ideologieën uit de weg wilde gaan: “… Laten ze toch begrijpen dat ik weliswaar de gewijde geschiedenis vertel, maar geen aaneenrijging wil van vrome plaatjes. Het volle leven moet erin doordringen, dat van vlees en bloed, met zijn uitspattingen, met al zijn onstuimigheid, grillen en grofheid. Ik wil niet op een hemelsblauwe achtergrond met roze pastel tekenen. Vooral niet dit onderwerp…”. En even verder: “… Gedekt door het fictieve genre verveel ik de lezer niet met uitspraken als ‘dit is waar’; ik zeg alleen: ‘Zo zou het kunnen zijn.’ Ik roep niet van de daken ‘Dit is de waarheid’ maar alleen: ‘Dit zijn mijn hypothesen.’ Ik presenteer mijn gedachten als leugens: fictie. Misschien is fictie voor mij de enige manier om te zeggen wat ik kwijt wil…”.

Vragen
En dan de reacties op zijn roman: “… Die gezichten van sommigen als ze begrijpen dat ik, op mijn manier, christelijk ben: alsof het een ramp is, verslagen! Ik stel ze teleur. Ik daal in hun achting…”. Ondanks de goede kritieken voelt hij zich het lelijke eendje: “… Als ik beken dat ik gelovig ben, kijken sommigen me aan alsof ik een obscene of anderszins ongepaste opmerking maak. Ik word een simpele of al te doorzichtige ziel. In ieder geval zijn ze er door die bekentenis van overtuigd, dat ik een slechte romanschrijver of een nepfilosoof moet zijn…”. Hij haalt een goede pers. Hij ontvangt ovaties van velen, wordt stilzwijgend genegeerd door anderen en door een of twee met de grond gelijk gemaakt:
“… Rood van woede bijt iemand me toe hoe ik me in de eenentwintigste eeuw nog kan afvragen of Jezus bestaan heeft en of hij al dan niet de zoon van God was. Klinkklare onzin, roept hij! Volgens deze zelfverzekerde man is zelfs het stellen van de vraag al belachelijk! Ik val helemaal stil. Ik antwoord niet, uit vrees hem te kwetsen. Hij denkt dat hij intelligent is, terwijl hij ons toch vooral zijn domheid toont. Hij denkt dat hij modern en progressief is, terwijl hij op intolerante wijze tekeergaat, waarmee hij in een gevaarlijk fundamentalisme vervalt, het atheïstisch fundamentalisme, de fanatieke doctrine van hen die zich boven alles en iedereen verheven achten, door niets en niemand misleid. Volgens hem zijn alle gelovigen imbecielen. En hij die nergens in gelooft leeft in de waarheid. Het komt zelfs niet in hem op dat hij de ene overtuiging tegenover de andere plaatst, het ene geloof tegenover het andere. De enige intellectueel integere verstandhouding tegenover het bestaan van God of Christus is de uitspraak: ‘Ik weet het niet.’ Het agnosticisme moet voor iedereen de grondhouding blijven. Als je zegt ‘Ik geloof’, zeg je niet ‘Ik weet.’ Wat ik geloof is niet wat ik weet. Als je zegt ‘Ik geloof niet’, zeg je niet meer dan ‘ik weet dat dit het niet is’. In de categorie van de waarheid verdient niet-geloven op geen enkele manier de voorkeur. Laten we bescheiden en behoedzaam blijven. Christendom of atheïsme: het blijft een kwestie van geloof, het wordt nooit wetenschap. En welke overtuiging iemand ook heeft: hij verdient respect. Mijn roodaangelopen gesprekspartner antwoordt trots op vragen die hij zichzelf niet eens stelt. Laat hij ze eerst zichzelf stellen. En verder: het antwoord doet er niet toe; wat telt is de vraag. De vraag delen wij, de antwoorden houden ons verdeeld. Als de mensheid wil voortbestaan, moet zij zich vragen blijven stellen…”.

Uitgave: Atlas Contact – 2006, vertaling Henk Abma en Olga Bovenkamp, 280 blz., ISBN 978 904 501 536 1, € 20,00
Rechtstreeks bestellen: klik hier

zondag 19 februari 2017

Goed nieuws! – Tom Wright


Ondertitel: Waarom het Evangelie nieuws is en wat dat nieuws zo goed maakt

Boswachter Wohlleben (zie mijn vorige blog) vertelt dat in de grondwet van Zwitserland is vastgelegd dat “… in de omgang met dieren, planten en andere organismen rekening gehouden moet worden met de waardigheid van de schepping…”. Een schepping veronderstelt een schepper. Nieuwtestamenticus en hoogleraar aan de Universiteit van St. Andrew (Schotland) Tom Wright in “Goed Nieuws!”: “… Het woordje ‘God’ is zwaar, lomp en klein. Het valt als een bom in ons anders zo geanimeerde gesprek. Het blijft in de keel steken als pasta die te kort gekookt heeft. Het verschijnt aan de horizon als een wolk die opeens de zon verduistert. Alleen al het geluid van het woord in het Nederlands (en in het Duits, waar het harde ‘Gott’ hetzelfde effect heeft) weerspiegelt de manier waarop de meeste mensen in de moderne westerse cultuur denken. Dit alles is natuurlijk een louter taalkundige kwestie. Maar ik denk dat het voor veel mensen iets weerspiegelt van de slechte reputatie die God heeft in onze cultuur. Het Griekse woord ‘theos’ voelt op de een of andere manier zachter, poëtischer aan; het Hebreeuwse ‘Elohim’ mysterieuzer. Het korte, eenlettergrepige ‘God’ geeft maar al te gemakkelijk op twee manieren een verkeerde indruk: allereerst dat God een object is binnen onze wereld waarover je als zodanig kunt discussiëren; en ten tweede dat zo’n wezen een totalitaire, kleine dictator is, die voortdurend bevelen geeft. In en vanuit zichzelf geeft het woord daar natuurlijk geen aanleiding toe, maar het lompe, harde geluid sluit gemakkelijk aan bij het populaire beeld van God als een bullebak daarboven die vreemde bevelen geeft en gevaarlijk prikkelbaar is als mensen hem negeren. Voor veel mensen zou het idee dat er een God is ‘slecht’ nieuws betekenen, niet goed nieuws…”.
Time noemt Wright: “… Een van de meest formidabele figuren van het christelijke denken…”. Eerder besprak ik van hem: “Paulus van Tarsus”, “Jezus en het evangelie van Judas” en “Pleidooi voor de Psalmen”.

Nieuws versus advies

Volgens Wright wordt het evangelie vaak verkeerd of op z’n minst verdraaid dan wel fragmentarisch uitgelegd. Als een soort hemel- en helsysteem. Als je in Jezus gelooft kom je na de dood in de hemel en doe je dat niet dan ga je linea recta naar de hel. Het belangrijkste doel van het christelijke geloof is dan ervoor te zorgen dat mensen zich zo gedragen dat ze veilig en wel in de hemel aankomen: “… Er is een hemel en er is een hel, dus als ik jou was zou ik m’n kans grijpen en de juiste keuze maken…”. Volgens Wright omvat het evangelie veel meer dan leven na de dood. In feite heeft Jezus het verrassend weinig over de hemel gehad. Hij sprak wel over iets wat realiteit zou worden ‘op aarde zoals in de hemel’ (Mat. 6:10).
De Bijbel zou je dan ook eerder als een nieuws- dan een adviesbureau kunnen bestempelen (zie eveneens “Mintijteer” van Esther Maria Magnis). Het evangelie betekent oorspronkelijk ‘goed nieuws’. Er is iets gebeurd waardoor de wereld voorgoed is veranderd. Het gaat om een nieuwe en onverwachte ontwikkeling binnen een veel groter verhaal:
“… Wat goed nieuws meestal doet is (1) een nieuwe gebeurtenis in een oud verhaal plaatsen, (2) wijzen op een schitterende toekomst die tot dusver nog buiten bereik ligt, en (3) een nieuwe periode introduceren waarin mensen niet langer een uitzichtloos leven leiden, maar met spanning wachten op datgene waarvan ze weten dat het komen gaat…”. Wright legt dat met heldere voorbeelden uit. Het kind ligt nog steeds in het ziekenhuis maar zal beter worden - in plaats van bezorgd en bedroefd te zijn wachten de ouders nu vol spanning en blijdschap op herstel en thuiskomst. De helft van de arbeidskrachten zit nog werkloos thuis, maar de regio is aan het herstellen – de ambities zijn hooggespannen en er wordt uitgekeken naar werkgelegenheid en daaruit vloeiende welvaart. Of, om in de tijd van Jezus te blijven, na de moord op Julius Caesar breekt er een dertien jarige burgeroorlog uit tussen zijn voor- en tegenstanders. Dan hoort Rome dat zijn erfgenaam Octavianus de overwinning heeft behaald en heerser wordt over de hele Romeinse wereld – Rome wacht reikhalzend op zijn vredebrengende komst om hem uit te roepen tot keizer (zie “Augustus” van John Williams). Herodes, koning in het Joodse land, had op de verkeerde gewed, anticipeerde op het nieuws, vroeg om genade, pleitte op zijn trouw aan de boven hem gestelden, en dat werkte.
God was teruggekomen in de persoon van Jezus; en God blijft komen naar heel de wereld, in de persoon en kracht van zijn Geest. Tot Hij ‘alles in allen zal zijn’. Dat is geen kwestie van ‘kracht of geweld’, maar van ‘agape’, waarvan ons moderne vertaling, ‘liefde’, maar nauwelijks in de buurt komt van wat daarmee wordt bedoeld: “… We weten hoe de macht van de wereld eruitziet. Als het puntje bij paaltje komt, zoals dat zo vaak gebeurt, dan is het de macht van geweld, waarbij gedreigd wordt met pijn en dood. Ja, het is de macht van tanks en bommen, en ook van geweren en messen en zwepen en gevangenissen en prikkeldraad en bulldozers. Wapens om mensenlevens mee te vernietigen; machines om hun huizen met de grond gelijk te maken. Wreedheid thuis of op het werk. Pesterijen en manipulatie in plaats van zachtmoedigheid, vriendelijkheid en wijsheid. Jezus’ macht is van een totaal andere orde, zoals hij uitlegde aan de Romeinse landvoogd een paar minuten voordat deze hem de dood in stuurde – waarmee zijn punt bewezen was. De koninkrijken van de wereld lopen op de brandstof van het kwaad. Het koninkrijk van God, zo verklaarde Jezus, loopt op liefde…” (zie bijvoorbeeld ook "De vier liefdes" van C.S. Lewis).

Een bestaansvorm die niemand kent
Allesbepalend in dit verhaal is de ‘opstanding’ van Jezus: “… Gedurende de eerste eeuw werden er duizenden andere jonge Joden gekruisigd door de Romeinen. Waarom zou deze dood meer te betekenen hebben dan die van hen? …”. Wright gaat diep op dit feit in. Het gaat hier niet om reïncarnatie. Jezus komt niet terug als iemand anders: “… Bij de opstanding behouden mensen hun volledige identiteit en ontvangen ze een radicaal vernieuwd lichaam als de passende, fysieke uitdrukking daarvan…”. Omdat Jezus verscheen aan zijn volgelingen om met hen te praten en te eten was er geen sprake van grafroof. Het gaat ook niet om zijn schim of geest of iets dergelijks, want daar was een apart woord voor, en laat juist zien dat de persoon in kwestie echt dood is. Het draait ook niet om een soort ‘opwekking’ (zie Lazarus): “… Zulke mensen zouden opnieuw moeten sterven, terwijl het bij de opstanding juist draaide om het feit dat het voor altijd zou zijn…”. Jezus was dezelfde, maar op de een of andere manier toch anders. Dat is uniek. Hij verschijnt en verdwijnt door gesloten deuren en tegelijk was hij echt fysiek aanwezig: hij at en dronk. Daarbij werd hij het eerst gezien door vrouwen, terwijl vrouwen in die tijd niet geaccepteerd werden als volwaardige getuigen – wie ‘verzint’ zoiets? De opstanding van Jezus gaat volgens Wright niet het allereerst en allermeest over naar de hemel gaan. Het gaat een stap verder, het betekent een gigantische sprong voorwaarts in een bestaansvorm die niemand kent, maar waarin de mensheid ooit zal volgen: “… Dan zegt de schepper ja tegen zijn wereld, en nee tegen alles wat haar beschadigt, vervormt en vernietigt…”.
Is het allemaal waar? Wright: “… Ondanks aanhoudende scepsis ben ik, samen met veel andere wetenschappers, na intensieve bestudering van het materiaal binnen de context van de eerste eeuw tot de conclusie gekomen dat deze verhalen in principe betrouwbaar zijn…”. En even verder: “… Jezus’ leven, zijn aankondiging van Gods koninkrijk, zijn radicale herdefiniëring van dat koninkrijk en zijn dood aan een Romeins kruis – dit alles weten we zeker. Er zijn maar weinig serieuze historici die dat alles ontkennen, ongeacht hun achtergrond of geloof. Jezus’ opstanding valt in een andere categorie. Niet omdat het geen historische gebeurtenis was in de zin dat er iets echt gebeurd is in de geschiedenis. Maar omdat als het gebeurd is, het een nieuwe richtlijn geeft voor ons bestaan van hoe de wereld in elkaar steekt. Veel gebeurtenissen doen dat op een minder ingrijpende manier ook. Atoomsplitsing. Ruimtevaart. De ontdekking van Amerika. Zodra die dingen gebeurd waren, zag alles er anders uit…”. Kortom; het gaat om interpretatie.

Wraakzuchtige God ten diepste heidens
Als je blijft hangen in het idee dat Jezus is gestorven als straf voor onze zonden, dan impliceert dat een God die ten diepste boos op je is, maar wiens woede (naar we hopen) is gestild. Hoe rijmt dat met het ‘alzo lief heeft God de wereld gehad dat Hij zijn enig geboren zoon gegeven heeft’? Volgens Wright is een wraakzuchtige God in feite heidens. God is niet zozeer woedend op jou, als wel woedend op het kwaad. Deze woede draagt de vastbeslotenheid in zich om de dingen recht te zetten, om een einde te maken aan de verwrongen verhoudingen en gedragingen die zijn wereld en zijn schepsels zo gigantisch verpest hebben. Dat heeft Hij gedaan door Jezus de wereld in te sturen om de schepping te herstellen en te vernieuwen. Jezus is als Messias, als gezalfde, een prins op weg naar zijn troon. Het gaat er niet om dat mensen aan onze akelige wereld ontsnappen om naar de hemel te gaan; het gaat erom dat God zijn schepping zal redden van verval, bederf en dood, en ons redt om daar deel van uit te maken: “… De redding en herschepping die God bewerkstelligde in de dood en opstanding van Jezus moet de redding en herschepping van ieder mens worden…”. Het plan van God gaat over de voltooiing, niet de vernietiging, van heel de schepping, en, bovenal, de kroning van Jezus als de rechtmatige koning en Heer van de wereld. In het Bijbelboek Openbaring van Johannes gaat het over het ‘Nieuwe Jeruzalem’ dat neerdaalt op aarde. Op de een of andere manier zullen hemel en aarde samenkomen. Niet de achttiende-eeuwse Verlichting is het ultieme keerpunt in de geschiedenis, maar de komst van het koninkrijk van God in de eerste-eeuwse Jezus.

De uitdaging van het gebed
Vervolgens wijst Wright op het probleem van het leven in gescheiden werelden: een materialistische en een geestelijke. En op het beperkte van het eenzijdig rationele denken versus het eenzijdig romantische voelen. Hij heeft het over de beeldtaal in verband met Openbaringen. Volgens Wright gaan heel veel waarschuwingen in de evangeliën in verband met het ‘Laatste Oordeel’ vooral over het volgen van het dwaze pad van een nationalistische opstand tegen Rome. Zo’n veertig jaar na Jezus’ publieke loopbaan viel Jeruzalem ook daadwerkelijk in de handen van Rome. Wright heeft het er over dat het niet aan de mens is om God te analyseren: “… Het is niet aan ‘ons’ om hoogte te krijgen van ‘hem’ maar aan ‘hem’ om hoogte te krijgen van ‘ons’…”. Anders zou God, God niet zijn:
“… God is geen voorwerp in ons universum. ‘Wij’ zijn voorwerp in ‘zijn’ universum…”. De ene ware God leeft, hoewel betrokken op ons, in een andere ruimte dan wij: “… Zoals je in een roman de persoonlijkheid van de schrijver kunt voelen, hoewel hij toch volledig buiten het boek blijft…”. Als laatste bespreekt Wright het gebed dat Jezus ons leerde,“Het Onze Vader”, item voor item. Wat mij betreft schrijft Wright het indrukwekkends als hij het heeft over wat het betekent christen te zijn: “… Christelijke vroomheid – een besef van de liefdevolle en leidende aanwezigheid van God, verdriet over de zonde en dankbaarheid voor vergeving, de mogelijkheden en uitdagingen van het gebed, een liefde voor God en onze naasten, het verlangen naar heiligheid en de zware morele inspanning die daarvoor nodig is, de geleidelijke of plotselinge komst van een persoonlijke roeping, een levend verlangen naar Gods uiteindelijke nieuwe schepping – dit alles veroorzaakt door het goede nieuws over wat er ‘is’ gebeurd in het verleden en wat er ‘zal’ gebeuren in de toekomst. En dit alles, en meer, veel meer ligt besloten in het goede nieuws in het heden…”.

Uitgave: Van Wijnen – 2016, 256 blz., vertaling Monica van Bezooijen, ISBN 978 905 194 533 1, € 18,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

dinsdag 14 februari 2017

Het verborgen leven van bomen – Peter Wohlleben


Ondertitel: Wat ze voelen, hoe ze communiceren – ontdekkingen uit een onbekende wereld

In mijn vorige blog heb ik het gehad over vogelvrouw Len Howard die antropoformisme werd verweten. Ze zou dieren menselijke eigenschappen toedichten. Boswachter Peter Wohlleben (1964, studeerde bosbouw, werkte meer dan 20 jaar bij bosbeheer in het Rijnland, nam ontslag om zijn ideeën over ecologie in de praktijk te brengen als houtvester van een gebied van 1200 hectare in de Eifel) biedt de overtreffende trap. Hij schreef een fascinerend boek over het sociale gedrag van bomen: “… Als je weet dat bomen pijn kunnen lijden, een geheugen hebben en dat bomenouders met hun kinderen samenleven, dan kun je ze niet meer zo gemakkelijk omhakken en met grote machines tussen ze door graven…”.

Samen sterk

Mijn mond viel open van het verhaal van Wohlleben. Zoiets had ik nog nooit gelezen. Wist je dat oeroude boomstronken zonder bladeren, en dus zonder fotosynthese, soms eeuwenlang in leven worden gehouden door ondersteunende buurbomen? Suikers krijgen toegesluisd via andermans wortelstelsel? Wie veel heeft geeft aan arme sloebers. Burenhulp in nood is heel normaal in natuurlijke bossen. Samen sta je sterker. Ben je minder overgeleverd aan weer en wind. Door middel van een sluitend kronendak kun je samen extreme warmte en kou matigen, veel water opslaan en heel vochtige lucht veroorzaken. Met elkaar kun je er voor zorgen dat de zomerhitte niet tot de bosgrond doordringt en voorkom je uitdroging. Immers: dan zouden ze allemaal lijden. Iedere boom is waardevol voor de gemeenschap. Daarom wordt elke zieke boom net zolang geholpen tot het weer beter met hem of haar gaat. Sommige bomen worden langer ondersteund dan anderen. Het lijkt erop dat er een soort ‘klasse-bewustzijn’ bestaat. Of misschien beter: het lijkt erop dat de mate van genegenheid, van binding, bepalend is voor de hulpvaardigheid van bomenvrienden. Doorsneebomen zullen met hun takken nooit in elkaars vaarwater zitten. Sommige bomen zijn ondergronds zo innig met elkaar verbonden dat ze samen dood gaan. Daarbij gaat het trouwens wel altijd om de 'eigen soort': bomen doen niet aan politieke correctheid. Bij aangeplante bossen is de saamhorigheid een stuk minder en gedragen de bomen zich als het ware als straat- dan wel weeskinderen. Daar krijg je toch tranen van in je ogen?

Wood-wide-web
Bomen kletsen de oren van elkaars kop. Via geurstoffen. Door giraffen aangevreten acacia’s maken bijvoorbeeld niet alleen hun bladeren giftig maar wasemen ook een gas uit waarmee ze hun soortgenoten waarschuwen. Die zetten op hun beurt eveneens snel gifstoffen in. Giraffen weten dat en gaan vervolgens tegen de wind in of een eind verderop eten. Net als mensen zenden bomen elektrische signalen uit als ze gewond raken. Alleen gaat het allemaal stukken trager – niet binnen een paar milliseconden, maar met slechts één centimeter per minuut. Om de maaltijd van een parasiet te verpesten duurt het een uur voordat er inwendige afweerstoffen zijn gemobiliseerd. Als ‘één lid lijdt, lijden alle leden’. Hebben de wortels problemen dan zullen de bladeren specifieke geuren afscheiden om de vijand af te weren. Bomen kunnen zelfs verschillende soorten speeksel herkennen. Soms wordt er door lokstoffen gerichte hulp ingeroepen: bijvoorbeeld van kleine wespen die eitjes in rupsen leggen waardoor ze van binnen worden opgevreten. Dieren registreren de chemische noodkreet van bomen en komen op de voor hen smakelijke hapjes af. Bomen verkondigen hun boodschap niet alleen via de lucht maar vooral ook via het wortelstelsel. En dat zowel chemisch als elektrisch. Daarbij schakelen ze schimmeldraden in, een systeem dat vergelijkbaar is met internet. Deskundigen hebben het dan ook over een gigantisch ‘wood-wibe-web’ dat door onze bossen loopt. Insecten zoeken bij voorkeur naar kwetsbare bomen die zwijgzaam zijn. Naar zonderlingen. Het gekke is, ook gecultiveerde planten communiceren vrijwel niet. Ze zijn als het ware doof en stom. Daarom wordt er in de landbouw ook zoveel gif gespoten. Recent is met meetapparatuur ontdekt dat graan een zacht knakkend geluid laat horen bij 220 hertz en dat de wortels van andere zaailingen daarop reageren door de punten van hun wortels die kant op te richten. Als bomen erge dorst hebben beginnen ze op het niveau van ultrasone golven te schreeuwen. Het lijkt erop dat planten en bomen daadwerkelijk kunnen praten en luisteren, en het lijkt erop dat mensen daar gevoelig voor zijn. Wandelaars in oude loofbosreservaten melden vaak dat ‘hun hart er open gaat’. Wandelen ze in kunstmatige bossen dan voelen ze niets. Onderzoek heeft aangetoond dat de bloeddruk stijgt van mensen die in verkeerde grond geplante naaldbossen lopen, terwijl die van bezoekers in natuurlijke eikenbossen juist daalt.

Brein

Bomen plannen het krijgen van kinderen. Eiken en beuken produceren om de paar jaar heel veel eikels en noten, zodat de herten en wilde zwijnen niet weten wanneer er veel te bikken valt, en bovendien is er dan zo’n overvloed dat ze het niet op krijgen. Op die manier wordt de dierenpopulatie tevens binnen de perken gehouden. Elke boom brengt uiteindelijk maar één kind groot. De rest wordt allemaal opgevreten of vergaat door bacteriën of schimmels tot humus. De bomenkinderen hebben strenge moeders. Ze laten zoveel licht door dat ze net overleven. Maar ze krijgen lang de borst: voeding uit de wortels van mama. Een langzame groei bevordert weerbaarheid en een lang leven. Bij het ouder worden vermindert de bladgroei hoog in de kruin van bomen, net zoals het haar op het hoofd van mensen. De bast van bomen rimpelt zoals onze huid. Hoe hoger het mos vergeleken bij soortgenoten in de vouwen groeit, hoe ouder de boom. Een prachtig hoofdstuk gaat over dat wij nog steeds niet goed weten hoe water door bomen naar de kruin wordt gezogen (een volwassen beuk kan per dag 500 liter water door zijn takken en bladeren jagen). Bomen zijn gevoelig voor moeite en verdriet. Bomen worden bijvoorbeeld heel zuinig met de waterverdeling als ze eenmaal een periode van droogte hebben meegemaakt. Omdat bomen kunnen leren en dus ervaringen opslaan moeten ze zoiets opwindends als een brein hebben. In de wortelpunten van bomen lijken zich hersenachtige structuren te bevinden. Onderzoekers hebben elektrische signalen gemeten die tot gedragsverandering leiden: wortels zoeken tastend hun weg in de aarde. Wohlleben legt uit dat bomen veel minder met grote bosdieren hebben dan met al de nietige wezentjes onder hun voeten:
“… In een handjevol bosaarde zitten meer levende wezens dan er mensen op aarde zijn. Een theelepel vol bevat alleen al een kilometer zwamdraden…”.

Eten en gegeten worden

Evenals Len Howard in mijn vorige blog, tipt Wohlleben hoe je aan de hand van bosdieren het weer kunt voorspellen: de roestrode vink met zijn grijze kopje zingt bijvoorbeeld normaal gesproken wel tien keer per minuut ‘tsitsitsitsitsitsitsitsit-tjoe-ie-ò’, maar als het gaat regenen laat hij een hard ‘Retttsj’ horen. Hij vertelt over de functie van bossen als CO2-stofzuiger, als airco en als waterpomp. Bomen geven water door tot diep in de binnenlanden. In de natuur geldt zeker het recht van de sterkste, maar daar geven en nemen het meest lucratief is, bestaat er uiteindelijk toch een vorm van evenwicht. Eten en gegeten worden. Het bos lijkt meer op een kluis dan een warenhuis. Alle lekkere hapjes zijn zodanig verpakt dat de gasten van alles moeten verzinnen om er toegang tot te krijgen (zie bijvoorbeeld het voedzame cambium tussen boombast en boomhout). Bomen doen aan sociale woningbouw. Neem de vleermuizen. Neem de specht. De laatste timmert maar een klein holletje en laat het werk verder over aan schimmels. Als het hol zo groot wordt dat de jonge vogeltjes er niet meer uit kunnen klimmen gaat de woning vervolgens over naar een boomklever of uil. Een onderzoeker bespoot een paar jaar geleden de met zijn 600 jaar oudste en 52 meter hoogte en twee meter doorsnee meest imposante boom van het Nationale Park Beierse Woud met een insecticide. Hij wilde weten wat er allemaal in zijn kruin leefde. Er kwamen 2041 spinnen en insecten dood naar beneden vallen, die in 257 soorten konden worden onderverdeeld.

Waardigheid van de schepping
De moderne loofbomen die zo’n 100 miljoen jaar geleden ontstonden houden een winterslaap, in tegenstelling tot de naaldbomen die zich al 170 miljoen jaar op onze planeet bevinden. Naaldbomen bedekken zich met een dikke waslaag waardoor het inwendige vocht niet verdampt en slaan antivries op om de winter door te komen. Loofbomen laten hun zonnepanelen, de bladeren, verkleuren en afvallen, wat je zou kunnen bestempelen als wc-bezoek. Alle nuttige stoffen worden in de bomen teruggetrokken terwijl ze zich van hun afvalstoffen ontlasten. Als het gaat vriezen is er geen water meer dat door de stam kan stromen. Zonder bladeren heeft de boom veel minder last van storm, het gewicht van sneeuw, bevroren water of drassige grond waarin hij of zij zich niet vast kan klampen. Dat loofbomen hun slaap nodig hebben bewijst het feit dat eiken of beuken binnenshuis niet gedijen. Kunnen bomen tellen? Afhankelijk van het aantal warme dagen gaan ze uitbotten. Ze weten wanneer de temperatuur naar beneden of omhoog gaat. Ze registreren de daglengte. Prachtig vertelt Wohlleben over het karakter van bomen: je hebt duidelijk dappere en voorzichtige individuen. Hij pleit voor de terugkeer van het oerbos, en is daar hoopvol over gestemd: “… Als we weten wat planten allemaal kunnen en we erkend hebben dat ze een gevoelsleven en bepaalde behoeften hebben, dan moet ook onze omgang met planten stap voor stap veranderen…”. Zie het zogenaamde ‘plenterbos’ waarbij alle leeftijden en maten van bomen zijn gemengd, zodat boomkinderen onder hun moeder opgroeien: “… Soms wordt voorzichtig hier en daar een stam geoogst, die door paarden naar de dichtstbijzijnde weg wordt gesleept. En om ook oude bomen aan hun trekken te laten komen, wordt 5 tot 10 procent van het gebied onder bescherming geplaatst. Hout uit zulke bossen waarin bomen kunnen leven passend bij hun natuurlijke behoeften kan zonder bezwaren gebuikt worden…”. We kunnen wel hevig verontwaardigd zijn over de houtkap in tropische wouden, maar in Midden-Europa wordt ook nog steeds voor 95 procent met zware machines op bosplantages met monoculturen gewerkt. Als voorbeeld stelt Wohlleben Zwitserland waar in de grondwet is vastgelegd dat “… in de omgang met dieren, planten en andere organismen rekening gehouden moet worden met de waardigheid van de schepping…”. Wohlleben bedankt zijn lezers, want “… alleen wie de bomen kent, kan ze beschermen…”.

Verder lezen: zie NRC 09.04.2016

Uitgave: Lev. – 2016, vertaling Bonella van Beusekom, 222 blz., ISBN 978 940 050 732 6, € 19,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier