Menu

dinsdag 9 januari 2018

Het onsterfelijkheidscomité – John Gray


Subtitel: Wetenschap en het wonderlijke streven de dood te overwinnen

Iemand die min of meer in hetzelfde straatje schrijft als Maxim Februari (zie mijn vorige blog) is de Engelse politiek filosoof John Gray die ik in de kerstvakantie ontdekte. Hij blijkt verschillende fascinerende boeken te hebben gepubliceerd, waaronder “Het onsterfelijkheidscomité”, dat gaat over onze hang naar onvergankelijkheid. Sinds Adam en Eva uit het paradijs zijn verdreven zijn we op zoek naar bestendigheid. Middeleeuwse alchemisten brouwden al levenselixers, Queen zong over eeuwig leven en hedendaagse transhumanisten zien een toekomst als onsterfelijke cyborg wel zitten. Moderne wetenschappers als Andrea Maier (“Zomergasten” 28-08-2016) zijn druk doende de leeftijdsgrens op z’n minst op te rekken naar 130 jaar. Rond 1900 focuste men weer op een andere manier op onsterfelijkheid.

De psychisch onderzoekers

Gray beschrijft hoe in de Victoriaanse tijd in Engeland de Society for Psychical Research (SPR) werd opgericht waarvan allerlei vooraanstaande wetenschappers, denkers en dichters - F.W.H. Myers, Henry Sidgwick, William James, Henri Bergson, Charles Richet, John Ruskin, Alfred Lord Tennyson, W.E. Gladstone, Arthur Balfour, om maar een paar namen te noemen - lid werden. Het doel was op ‘onbevooroordeelde en wetenschappelijke wijze’ paranormale verschijnselen, waaronder de mogelijkheid van leven na de dood, te onderzoeken. Een knettergek verhaal over kruiscorrespondenties volgt. Automatische schrijfsters (jawel: meestal vrouwen) bleken boodschappen van overledenen uit het hiernamaals te ontvangen. John Gray interpreteert de obscure belangstelling voor het occulte destijds vooral als een tegenreactie op het darwinisme. Er was een wereld blootgelegd waarin de mens net als dieren bij de dood de totale vergetelheid stond te wachten en als soort uiteindelijk zou uitsterven. Veel mensen vonden dat een afschuwelijke gedachte. Wat had het leven dan voor zin? Waarom zou je dan nog streven naar het goede? De spiritisten vergaten helemaal dat het inzake het hiernamaals volgens veel christenen, zoals de strenge Calvinisten, helemaal niet om moraal gaat, maar om geloof. Gechargeerd: als je een goed mens bent maar niet gelovig, ga je naar de hel – ben je een slecht mens maar wel gelovig, dan ga je naar de hemel. Het een heft het ander echter weer op in de uitspraak dat iederéén een zondaar is en derhalve het koninkrijk Gods derft (Romeinen 3:23). En passant beschrijft Gray kort de manieren waarop in de grote wereldgodsdiensten tegen leven na de dood wordt aangekeken, alsmede in de oudheid. Enfin; de geleerden wilden niet naar de godsdienst terug, dus zocht men zijn heil in de wetenschap – misschien werd daar bewijs gevonden dat er méér is tussen hemel en aarde. Veel victoriaanse zoekers gaven aan het darwinisme een draai door te stellen dat de evolutie na de dood gewoon doorging. Dat verheldert waarom serieuze figuren als de arts en schrijver Sir Arthur Conan Doyle, de vader van Sherlock Holmes, zich met het spiritisme inlieten. Volgens Gray blijkt uit niets dat het evolutionisme naar perfectie streeft. Levensvormen komen willekeurig op en sterven willekeurig uit. Het ontloken darwinisme was ook niet lijnrecht in tegenspraak met het scheppingsgeloof, zoals wij tegenwoordig geneigd zijn te denken: “… Tot enkele eeuwen geleden stond het verhaal in Genesis bekend als een mythe: een poëtische manier om waarheden te verbeelden die anderszins ontoegankelijk zouden zijn. In de beginperiode van de christelijke religie waarschuwde Augustinus tegen de gevaren van al te letterlijke interpretaties. De Joodse geleerden die aan hem voorafgingen, beschouwden het bijbelse scheppingsverhaal altijd als een metafoor voor waarheden die niet op een andere manier te benaderen waren. Pas vanaf de opkomst van de moderne wetenschap werd de mythe in Genesis ten onrechte opgevat als een verklarende theorie…”. Darwin zelf was dan ook geen atheïst; eerder een agnosticus.

Geknakte persoonlijkheden
De mensen die zich bezig hielden met leven na de dood bleken daar zo hun persoonlijke beweegredenen voor te hebben. Bijvoorbeeld een ondraaglijk verlies of onderdrukte homoseksualiteit. Voor dat laatste zou je na dit leven toch beloond moeten worden? Sommigen hoopten contact te kunnen leggen met aan Gene Zijde verkerende, verboden liefdes. In alle geschriften van het SPR zijn de omringende schaduwen van de victoriaanse levens zorgvuldig weggepoetst. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat aan veel mediums een ranzig kantje zat. Een vooraanstaande onderzoeker die bekend stond als onberispelijk christen (terwijl de Bijbel het contact met geesten toch nadrukkelijk verbiedt – zie hier) bleek bijvoorbeeld verzot te zijn geweest op sadomasochistische seksspelletjes. De verklaring: met hun victoriaanse inborst zouden de betrokkenen bang zijn geweest dat er anarchie uitbrak als het plebs te weten kwam hoe ze in het geniep tekeer gingen. Hypocrisie als deugd. Op een gegeven moment werd onder de noemer van een experiment in de ‘psychologische eugenetica’ zelfs een geheim Plan gesmeed om een ‘spiritueel kind’ geboren te laten worden. Als een sinistere imitatie van Jezus zou het de wereld uit de chaos zou leiden. Dat kind werd natúúrlijk verwekt in een overspelige situatie (maar vervulde nooit zijn verwachte rol), en was niet de enige messias in het vroegtwintigste-eeuwse Engeland. De Theosophical Society met unheimische voorvechters als madame Blavatsky, Annie Besant en Lady Emily Lutyens wezen Krishnamurti (1895-1986) aan als de newagebepleiter van de spirituele revolutie – die uiteindelijk zelf aan zijn verlossersrol ging twijfelen. En passant passeren ook nog de namen van de Russische occultisten P.D. Ouspensky en G.I. Gurdjieff. Het verhaal over de esoterische zoektocht naar leven in het hiernamaals is vooral een verhaal over geknakte persoonlijkheden en veel bedrog (het mafste dat ik heb gelezen is wel zo’n beetje een item over zogeheten ‘ectoplasma’ dat uit natgekauwd papier bleek te bestaan).

De Godbouwers
Het tweede gedeelte beslaat een adembenemend, maar ijzingwekkend verhaal over de ‘Godbouwers’ in Rusland, waar Gene Zijde niet bestond. Men geloofde dat de dood verslagen kon worden door de wetenschap. Gray beschrijft zijn geschiedenis aan de hand van het levensverhaal van ene Moura, volgens velen een betoverende schoonheid uit Moskou. Voor haar ging de oude Russische beschaving ten gronde toen haar echtgenoot door boeren werd vermoord en hun familiehuis in Estland verbrand. Ze bewoog zich in de hoogste kringen. Een groot deel van haar leven bracht ze door in de schaduwwereld van de spionage. Ze werd de geliefde van geheim agent Robert Bruce Lockhart, de officieuze vertegenwoordiger van Groot-Brittanië in Rusland, en daarna van de grote schrijvers Maxim Gorki en H.G. Wells. Volgens de laatste zou een intelligent groepje uitverkorenen de richting van de evolutie kunnen sturen en de soort naar een betere toekomst leiden, ja, uiteindelijk zouden de mensen godgelijk worden. De jonge Wells was evenals Gorki van mening dat het mensdom ontdaan moest worden van alles wat zich zwak en lelijk betoonde. Gek genoeg strookt dat niet met zijn romans, als ”The Time Machine”(1895), “The War of the Worlds” (1897) en “The Island of Doctor Moreau” (1896), waarin wetenschap die wordt ingezet om de evolutie te sturen monsters voortbrengt. Zijn rationaliteit liet hem ook compleet in de steek als het om Moura ging, die hem bedonderde waar hij bij stond, maar met wie hij niet kon breken. Voor Gorki was God de socialistische toekomst. Volgens zijn ideeën was een onderdeel van de vergoddelijking van de mensheid de uiteindelijke vernietiging van de materie. De mens was een op hol geslagen machine die getransmuteerd moest worden naar pure psychische energie. Op zoek naar bewijs dat de materie overwonnen kan worden stortte Gorki zich op paranormale verschijnselen. Hier komen ook weer occultisten als Madame Blavatsky, Gurdjieff en Ouspensky uit het eerste deel om de hoek kijken, alsmede associaties met het ultranationalistische Duitse Thule-Gesellschaft waartoe Hitlers plaatsvervanger Rudolf Hess behoorde. Deze occultisten wezen de wetenschap niet af, maar incorporeerden die. Het beeld van de wetenschap als een soort magie oefende grote aantrekkingskracht uit op de Godbouwers. In de kern, was volgens Gray, het bolsjewisme dan ook een religieuze beweging.

Experimenten
Stalin beoogde een nieuwe mensheid te scheppen. In het Instituut voor Experimentele Geneeskunde werden allerhande proeven op gevangenen uit de Goelag uitgevoerd. Er werd geëxperimenteerd met honderdduizenden menselijke eenheden door ze het volkomen nutteloze Witte Zeekanaal te laten graven (dat amper werd gebruikt). Er waren geen materialen. In plaats van ijzer werden er menselijke botten gebruikt om het beton te verstevigen. Men moest boomschors en gras eten om in leven te blijven. Een nog groter experiment was de landbouwcollectivisatie. Veel boeren verhongerden, maar dat gaf niet, want volgens de marxistische Gorki waren ze een lagere vorm van menselijk leven dat maar beter uit kon sterven. De menselijke vooruitging ging nu eenmaal gepaard met het uitroeien van achtergebleven groepen. Via de verovering van het luchtruim, waarop het sovjetruimtevaartprogramma voor een groot gedeelte stoelde, zou de verovering van de etherische ruimte plaats vinden, waarin de menselijke geest eeuwig voortleeft – ja zelfs de doden zouden herrijzen door de macht van de wetenschap. Aan het eind van zijn leven zag Gorki tot zijn afgrijzen dat de metamorfose waarvan hij droomde anders was gelopen dan hij had verwacht. Gray vertelt dat de af en toe 'lastige' Gorki dermate werd gemanipuleerd door de Sovjetautoriteiten, dat er soms voor hem alleen een apart exemplaar van de Pravda werd gedrukt, teneinde hem van het nieuws af te houden. Het gerucht doet de ronde dat, toen na zijn dood zijn huis werd doorzocht, er een manuscript werd gevonden waarin Stalin optrad in de gedaante van een grote vlo. Twee weken voor Gorki’s dood kreeg zijn personeel dezelfde symptomen als hij: zijn ze vergiftigd?

Occultisme in architectuur
De overleden Lenin werd in afwachting van zijn wetenschappelijke opstanding eerst gebalsemd en daarna ingevroren.‘De architectonische vereeuwiging van Lenin’ moest een monument worden dat Mekka en Jeruzalem zou overtreffen. De kubusvorm van zijn tombe was gebaseerd op het werk van de kunstenaar Malevitsj, die abstracte meetkundige vormen beschouwde als de belichaming van een hogere werkelijkheid: “… Hij was beïnvloed door de geschriften van Ouspensky en zag Lenins mausoleum als uitdrukking van de ‘vierde dimensie’ waar de dood niet bestond…”. En nog veel absurder: “… In overeenstemming met zijn filosofie opperde Malevitsj dat iedere volgeling van Lenin in een hoekje van zijn huis een kubus zou moeten opstellen. Zijn voorstel werd aangenomen, en de partij beval kubussen te distribueren. In fabrieken en kantoren door het hele land werden gedenkplaatsen voor de dode leider ingericht in ‘Leninhoekjes’…”. Even verder: “… Malevitsj geloofde dat de mensen gelijk aan god konden worden: ‘Geen boeken, geen evangelie, geen wetenschap kan zich een voorstelling maken van de heerlijkheid van het Zelf, dat verschijnt als mens – de enige God die ooit heeft bestaan, bestaat of ooit zal bestaan’. Soms scheen Malevitsj te geloven dat hij zelf goddelijk geworden was: ‘Dit is de manier waarop ik over mezelf redeneer en mezelf verhef tot godheid, door te zeggen dat ik alles ben en dat er niets buiten mij bestaat.’…”. Volgens Gray weerspiegelt modernistische architectuur wel vaker occultistisch gedachtegoed: “… Het werk van de grondlegger van het architectonisch modernisme, Le Corbusier, vertoonde invloed van esoterische vrijmetselarij, zoals blijkt uit het iconografische belang van de rechte hoek. Een andere door het occultisme beïnvloede twintigste-eeuwse architect is Frank Lloyd Wright, die Gurdjieff heeft genoemd als een inspiratiebron voor zijn werk. Niettemin hebben architectuur en het occulte elkaar zelden zo gevonden als in Lenins grafmonument is gebeurd…”. De tombe werd ontworpen door A.V. Shchusev, een architect behorend tot de beweging van het constructivisme waarin Malevitsj’ nadruk op abstracte vormen verder werd doorgevoerd. Later zou hij ook de Loebjanka-gevangenis opnieuw ontwerpen.

Übermensch
De Tsjeka (de Russische geheime dienst) oefende een permanente terreur uit die tenslotte miljoenen mensen zou verzwelgen: “… Stalin geloofde dat moord te rechtvaardigen was zolang dat de goede zaak diende. Maar wat was – voor Stalin – de goede zaak? Een aanwijzing daarvoor is wellicht te vinden in Stalins lectuur toen hij student was aan het Russisch-orthodoxe seminarie in Tiflis. Stalin las Dostojweski’s roman “Demonen”, waarbij hij uitvoerig aantekeningen maakte. Dostojevski had zijn roman bedoeld als antirevolutionair traktaat. Het werkelijke doel van revolutionairen was niet zozeer het verminderen van menselijke nood als wel het creëren van een nieuw type mens dat niet langer zou kunnen lijden. Beschouwde Dostojevski deze zienswijze als weerzinwekkend, voor Stalin verwoordde ze precies zijn eigen opvattingen. In zijn kanttekeningen bij “Demonen” schreef hij dat zwakheid en domheid de enige ondeugden zijn, terwijl macht het hoogste goed is…”. Van daaruit trekt Gray lijnen naar de Übermensch van Nietzsche, een bovenmenselijk figuur die alle morele beperkingen verwerpt, en in Rusland een grote aanhang had. Evenals de Russische futuristen het bolsjewisme verwelkomden, omarmden de Italiaanse futuristen het fascisme als onderdeel van de cultus van de ‘bovenmens’. Gray vertelt over Tseka-bovenmensen die zich aangetrokken voelden tot het satanisme (Menzjenski, Blyumkin). Menzjenski was de eerste die de eerste ‘showprocessen’ ensceneerde: “… Wegens zijn slechte gezondheid nam Menzjenski de verhoren liggend op een divan af, waarbij hij altijd beleefd en charmant bleef, vooral tegen vrouwen, en hen met ouderwetse hoffelijkheid bejegende om hen vervolgens te veroordelen tot marteling, verkrachting en executie…”. De oprichter van het OGPU-giflaboratorium zou hem liquideren door de gordijnen, tapijten en het behang van zijn appartement te impregneren met dodelijke toxinen. Stalin bezag zijn naasten als een vivisector de proefkonijnen voor zijn experimenten. Hij had een fascinatie voor technologie waaruit de sovjetdoodsfabriek voortkwam.

De overwinning van de dood
Gray: “… Westerse waarnemers interpreteerden het Sovjetregime als een opstand tegen het tsarisme en later, toen het despotische karakter van het regime duidelijk werd, als een voortzetting van het tsarisme…”. Volgens hem moet je het veel breder zien. Als geen ander wijst hij op het esoterische component in de Sovjetsamenleving. Lenin meende serieus dat elektriciteit de plaats van God zou innemen. Platonov, de schrijver van “Een technische roman”, legt een communistische leider de belofte in de mond dat alle doden opgegraven zullen worden en weer op de been geholpen. Prochanov, een andere eenentwintigste-eeuwse Russische schrijver noemt het communisme de overwinning op de dood. Ondanks dat de bolsjewisten zichzelf beschouwden als rationalisten, die elke vorm van mysterie afwezen, ziet Gray ze als moderne gnostici. Volgens hem streefden ze naar een herleving van de mysteriereligies uit de antieke wereld: “… In traditionele gnostische filosofieën is de aarde een kerker voor de ziel, waaruit individuele ingewijden zich kunnen bevrijden door middel van een rigoureuze innerlijke discipline. Als ze uiteindelijk niet meer opgesloten zitten in hun aardse lichaam, kunnen ze eeuwig verblijven in een onstoffelijk rijk…”. En even verder: “… De verwoesting van het land door de landbouwcollectivisatie overtrof alles wat de bevolking in de burgeroorlog had moeten verduren, terwijl de sovjetindustrialisering de natuurlijke hulpbronnen op kolossale schaal verspilde. In de praktijk kwam materialisme neer op de ontmaterialisering van de fysieke leefwereld. Een wezenlijk onderdeel van dit proces was de destructie van mensenlevens…”. De schattingen van de bolsjewistische massamoord variëren van een conservatieve 20 miljoen tot een bovengrens van 60 miljoen. Er werden de meest uiteenlopende executiemethoden gehanteerd: “… Kruisiging, seksuele verminking en spietsen, ledematen afhakken, steniging, villen, bevriezen, levend koken of verbranden kwamen allemaal voor…” (en dan beschrijf ik nog niet eens de ergste methoden). Even verder: “… Tegen de tijd dat de burgeroorlog voorbij was, was een derde van de landbouwgrond verlaten en werd het resterende deel bewerkt met primitieve werktuigen. Dorpelingen overleefden door mensenkadavers op te eten. Volgens officiële cijfers, vrijgegeven in 1922, waren er zo’n zeven miljoen ‘bezprizornii’, de verwilderde kinderen die door de revolutie dakloos waren geworden, die in benden het land afschuimden en in leven bleven door overvallen en moord…”. In de Goelag bezweken de meeste gevangenen aan de dwangarbeid door uitputting, honger, ziekte en kou: “… Dood door kou vormde een probleem voor de autoriteiten, die geacht werden hun registratie bij te houden. In sommige kampen werden de bevroren handen van de doden afgezaagd en opgehangen om te ontdooien, zodat er vingerafdrukken konden worden genomen voor de NKVD-dossiers…”.

Het westen

Je zou denken dat de Terreur een negatieve uitwerking zou hebben op de westerse steun voor de sovjets. Niets was minder waar: “… In werkelijkheid oefende de sovjetzaak haar grootste bekoring uit toen het moorden op zijn hoogtepunt was. Westerse pelgrims die de Sovjet-Unie bezochten werden ontvangen door levende spoken, schimmige gidsen die een fantasieland van vreugde en overvloed tevoorschijn toverden waarna ze verdwenen in de onderwereld van de kampen…”. Terwijl de uitgehongerde bevolking verviel tot kannibalisme werd Daladier, de eerste minister van Frankrijk toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, tijdens een reis door de Oekraïne door straten met bakkerijen vol versgebakken brood - van geverfd gips – getroond. Hij geloofde het brood zelfs te ruiken. Walter Duranty, correspondent van de New York Times en volgeling van Aleister Crowly, moffelde als geen ander de sovjethongersnood weg en praatte Stalins showprocessen goed. Hij werd daarvoor beloond met een ruim Moskous appartement inclusief personeel en een stroom jonge Russische meisjes: “… Eerst moesten zij buitenlandse bezoekers aangenaam bezighouden en over hen rapporteren, en zodra hun schoonheid begon te verwelken stond hun een leven van zware arbeid en serieverkrachting in kampen te wachten…”. In 1932 ontving Duranty de Pulitzerprijs. Hij functioneerde tevens als speciaal adviseur van president Roosevelt.

Wie de geschiedenis vergeet is genoopt die te herhalen
Gray concludeert dat de zoektocht naar eeuwig leven alleen maar sterker is geworden. Hij heeft het over de techno-onsterfelijkheid die de computerwetenschapper Ray Kurzweil propageert: “… Nu al, gelooft Kurzweil, kunnen mensen hun leven lang genoeg rekken om de tijd mee te maken dat ze niet meer dood hoeven te gaan…”. Volgens Kurzweil zal onze kennis binnenkort zo snel toenemen dat het de wereld radicaal verandert. Door middel van nanotechnologie zullen er robots worden ontworpen die het verouderingsproces omkeren en de hersenfuncties vergroten. Een versmelting van menselijke en kunstmatige intelligentie volgt. Of we dan nog mensen zijn is maar de vraag. De hybriden zullen voornamelijk in een virtuele wereld leven. Deze zogeheten singulariteit kan volgens Gray het best begrepen worden als procestheologie. De mensheid is God in wording, waardoor het kwaad in de loop van de geschiedenis zal verdwijnen: de zoveelste vooruitgangsfilosofie. Net als in het bolsjewisme is de toekomst aan de geest. Dat zou tot nadenken en voorzichtigheid moeten leiden. Wie de geschiedenis vergeet is genoopt die te herhalen. Gray moet het allemaal nog zien en voert aan dat wetenschap het ontdekken van natuurwetten is waarvan we één ding zeker weten: theorieën die op enig moment de overhand hebben blijken altijd weer onwaar te zijn en over te gaan in andere. Er bestaat geen frictie tussen wetenschap en religie. Onwrikbaar geachte wetenschap is derhalve zélf een religie: “… We hoeven niet in wetenschappelijke theorieën te geloven. Als ze ons helpen in onze omgang met de wereld, kunnen we ze blijven gebruiken tot we op betere stuiten…”. Verder zijn er nog belemmerende factoren als klimaatverandering of bijvoorbeeld ons vermogen tot zelfvernietiging door kernwapens, die een grote rol spelen in de technologische evolutie. Volgens Gray is het waarschijnlijker dat de aarde ons vele malen zal overleven. Maar wie zegt dat eeuwig leven zo aangenaam is?

Uitgave: Ambo – 2011, vertaling Ruud van de Plassche, 238 blz., ISBN 978 902 632 388 1, € 7,90
Rechtstreeks bestellen: klik hier

dinsdag 2 januari 2018

Klont – Maxim Februari


De jaarovergang noopt tot reflexie. Duiding van wat achter je ligt. Denken over wat komen gaat. Een grappig boek met een serieuze ondertoon, dat je in deze overwegingen mee zou kunnen nemen, is “Klont” van Maxim Februari (1963, jurist, filosoof): “… Klont is natuurlijk een gezellig woord. Alle vrouwen die ik ken hadden er weer andere associaties bij. De een had het wel eens vertederd gebruikt als koosnaampje, de ander kende het als ouderwets meelgerecht, de derde probeerde op tijd ‘klont!’ te roepen als ze eigenlijk wilde gaan vloeken. Ik had het zelf nog nooit gebruikt. Toen ik het voor het eerst tegenkwam, dacht ik zoals gezegd dat de klont een kluwen systemen was van systemen die met elkaar in de knoop kwamen, en dat alleen al was spectaculair genoeg. Angstaanjagend. Niet dat ik dacht dat er iemand achter zat, maar dat was juist het angstaanjagende. Er viel geen gemoedelijke maffia achter te ontdekken, geen oldskool veiligheidsdienst, geen spannende kaste van satanisten of salafisten, zelfs geen hippe kring van hackers, black T-shirts, slimme meisjes en jongens met overspannen verwachtingen van zichzelf die slimme dingen deden met patronen en profielen. Niemand. Louter amorfe verzamelingen instructies die onderling botsten: de klont…”.

Niet depressief en niet antidepressief

Het verhaal omvat twee hoofdpersonen. Ten eerste Alexei Krups (alleen de naam al: doet me gelijk denken aan de Duitse staal- en wapengigant Krupp), annex de schrijver zelf, een omhooggevallen yup die met zijn snelle, innemende, extraverte uitstraling hele zalen vol hoogopgeleiden plat kletst: “… In Milaan of Washington sprong ik atletisch het podium op en ik zei bijvoorbeeld dat de mensen - ‘sinds ze op een huishoudtrapje zijn gaan staan en de goden uit de hemel hebben geplukt’- op zoek zijn naar houvast. De andere leden van de intelligentsia waren iedere keer weer behoorlijk onder de indruk. Ik won er prijzen mee…”. De massa heeft een vijand nodig, meent hij. Een vijand om ’s morgens voor uit bed te komen en het gevecht mee aan te gaan. En die vijand levert hij: de klont. Een zogenaamd op hol geslagen wolk donkere internetdata die op eigen initiatief tot actie overgaat en amok maakt in de volgens hem alomtegenwoordige controlestaat. Iedereen gelooft Krups op zijn woord. Zijn opinies drijven op plagiaat. Hij doet op zijn manier aan ‘recycling’. Hij ziet zichzelf als een ‘succesvolle auteur van andermans ideeën’ en ‘een handelaar in intellectueel afval’. Oftewel: hij plakt en knipt bij het leven. Ten tweede zijn tegenspeler Bodo Klein: alom geacht technologie-expert op het ministerie van veiligheid, introvert, beschouwend, eenzaam en zoals zijn naam al voorspelt, begeestert door minderwaardigheidsgevoelens zo niet zelfhaat. Op zijn zevenenvijftigste loopt hij op een systeem van antidepressiva die hem niet meer raken: “… Hij is niet depressief en, zo heeft zijn arts intussen laten weten, niet antidepressief…”. Bodo Klein heeft genoeg van het leven en stuurt een bijna niet te kraken zelfmoordmail rond, waarin hij zijn dood aankondigt, “… triomfantelijk zoals een poes een dode muis op de deurmat legt…”. Even verder: “… De tijd drong. De dood wachtte…”. Maar hij is te slap om het plan uit te voeren.

Hm. Dat weet je nooit
De vrouw van Bodo Klein, een doelgerichte chirurg die van aanpakken weet, sjouwt onderwijl met “… niemand minder dan de prins en de prinses…” - twee kleinkinderen - door de stad om kleren te kopen, want haar dochter en hun moeder loopt op alledag: “… Vooruit, zei ze. Waarom moet ik altijd, altijd op jullie wachten. Gehaast haalde ze een jurk uit het rek en ze schoof haar kleindochter zonder pardon de paskamer in. Colette was de enige die zo vreselijk op de kinderen mocht mopperen, want ze was de enige die van hen hield. En hun ouders dan? Hm. Dat weet je nooit…”. Ergens geeft Bodo Klein wel om zijn vrouw, maar hij weet geen gesprek met haar te beginnen. Prachtig schrijft Februari over zijn zwangere stiefdochter (ook dat nog) met haar ‘angstaanjagende buik’: “… Haar voeten lagen op een van de keukenstoelen; ze sloeg haar arm over de stoelleuning en ging zo uitgebreid achteroverhangen dat haar buik als een moreel oordeel boven het tafelblad uitstak…”. Aan de andere kant van het spectrum brengt Februari ondertussen iets heel wezenlijks onder woorden, denk ik, als hij Alexei Krups laat mijmeren: “… De zaal mag blij zijn dat ik de puzzel heb opgelost. Dat ik de sociale ingewikkeldheden van het tijdperk heb kunnen samen fröbelen in één woord – klont – dat in al zijn eenvoud klinkt als een probleem en oplossing tegelijk. Soms komt de gruwelijke gedachte bij me op dat geen mens de mentale capaciteiten bezit om zelfs maar de juiste vragen te stellen aan de toekomst die op ons toe raast…”. Kortom, we weten nog niet wat we zijn zullen en de mensheid lijkt bereid achter elke antichrist aan te rennen die het etiket deskundige op zijn voorhoofd plakt. Een minister: “… ze wist dat er in de wereld een revolutie op komst was, maar ze kreeg er geen vat op…”. En dan gelijk daarop, of de schrijver zijn eigen zwarigheid onderuit wil schoppen: “… U hebt een horizontale persoonlijkheid’, had een journalist haar een dag eerder voor de voeten geworpen, opmerkzaam zoals journalisten zijn. ‘Ik kan ook heel verticaal zijn, hoor’, had Kirstin geglimlacht. Ze keek de serieuze man met zijn ronde brilletje stralend aan. Zoek jij maar naar spirituele verheffing en hemelse vrede, stuk onbenul, dacht ze, dan zorg ik dat alles hier op aarde werkt…”.

Giddy up

In een geestig fragment richt de schrijver zich tegen jou, als hopeloos achterhaalde lezer: “… Als je dit leest, snap je blijkbaar nog steeds niet hoe de wereld in elkaar zit. Jawel, ik mag aannemen dat ieder van jullie als een braaf kind zijn school heeft afgemaakt, en vervolgens heb je ergens onderweg naar de volwassenheid allemaal het bizarre idee in je hoofd gehaald dat de beschaving en jij elkaar iets te bieden hebben. Nou, kijk eens aan, je hebt je droom niet opgegeven, tijger, je hebt dapper volgehouden en nu lees je zowaar een roman. Giddy up, motherfucker, zou Schneider zeggen. Ga zo door, je bent fantastisch…”. De roman is heden ten dage volledig overbodig, aldus Krups. Wijsheid is vervangen door slimheid: “… Nee, als u echt wilt weten wat ik denk, dames en heren, zeg ik, dan kan ik beter op dit papier hier voor me pissen en u de opbrengst straks na afloop meegeven in een geplastificeerd laboratoriumzakje dan drie kwartier lang als een negentiende-eeuwer tegen u gaan staan aanpraten…”. De roman is voor ouderwetse mensen die nog interesse hebben in het individu. Dataverkeer zorgt er juist voor dat iedereen in dezelfde mal wordt geperst. Iets als een unieke persoonlijkheid is op sterven na dood. Alleen de superrijken krijgen het voor elkaar de moderne techniek buiten de deur van hun landgoederen te houden - dark holes, plaatsen achter Gods rug - en een vooroorlogs leven te leiden dat inmiddels het summum van hipheid is. Ze “… keken vanaf grote hoogte meewarig neer op dat oude net, dat na de eerste pioniersjaren van de vorige eeuw intussen was verworden tot een Spaans vakantieresort, een verlopen kermis waar het plebs krioelde, leuterde, zwatelde, ruzie kreeg, elkaar de keel afsneed, dronken foto’s van zichzelf rondstuurde, bestolen werd door geliefden die niet bestonden en ieder moment onder surveillance stond van de geheime diensten en de kapitalistische maffia…”. Want, “… Trek een hond aan zijn staart en hij jankt. Trek een koelkast aan haar staart en ze rapporteert je bij de Verenigde Naties…”.

Ei-gen-lijk
De minister van Veiligheid vindt dat Bodo Klein maar een paar weken vrij moet nemen na alle consternatie die hij heeft veroorzaakt. Of hij in die tijd misschien de gangen van de vreemde onruststoker en hedendaagse profeet Alexei Krups kan nagaan. Dat resulteert natuurlijk in de ontmaskering van de pseudo-wetenschappelijke charlatan. De media kiept de volle mestkar der veroordeling over zijn arme hoofd. Hij kan niet veel anders doen dan in de luwte blijven en wachten tot de massa weer medelijden met hem krijgt. Hij weet als geen ander hoe dat gaat en hoe er mee om te gaan. "... Eigenlijk...", vertrouwt hij een vriendin telefonisch toe, "… Ei-gen-lijk zie ik de hele geschiedenis vooral als een kans om te leren…". En vervolgens: “… ‘En dan bedoel ik ons allemaal,’ zei ik. ‘Jij. Ik. We moeten allemaal leren van ons aandeel hierin. En dat is hard werk, hoor, Sally. We moeten door diepe dalen. Hoe gaat dat gezegde over berouw ook alweer? Spijt brengt je naar het vliegveld, maar koopt geen ticket voor je? Ik hoorde haar snuiven toen ze begreep wat ik zei. 'Wat voor onmens bén jij in godsnaam?' 'Vraag mijn moeder,' zei ik tegen haar. ‘Die kent me.’ Pas toen ik de verbinding had verbroken, bedacht ik tot mijn afgrijzen dat ze dat waarschijnlijk ook echt ging doen…” (Sally zit net zo goed in de nesten; ze heeft hem geciteerd in haar werk omdat ze dacht dat hij betrouwbaar was). Als de rook een beetje is opgetrokken stelt zijn manager alweer voor om een boek te schrijven over zijn ervaringen. Waarschijnlijk heeft Februari de wederwaardigheden van Diederik Stapel goed gevolgd – Stapel is dan ook psycholoog.

Lieverd
Ei-gen-lijk stelt het hele verhaal inhoudelijk geen bal voor, maar is het wat mij betreft Februari’s literaire verbeelding die het bovenaards doet schitteren. Neem zinnen als: “… De stralen van de warme middagzon vielen met heilige ernst door de bladeren…”. De dichterlijke overdrijving: bijvoorbeeld dat de klont naar alle waarschijnlijkheid wordt aangestuurd door de slachter uit Syrië. Een dikke vrouw met ‘pornoallure’ wordt aanbeden door de mannen die ze ontmoet, maar ze houden discreet de deksel op het ‘pierenpotje van hun fantasieën’, want ze ‘gulpte en pletste’ van alle kanten over het ideale schoonheidsideaal. En, mocht je het nog niet weten, "The Circle" van Dave Eggers en "Purity" van Jonathan Franzen zijn ook al geschreven door de klont. Verder nog heel leuk, vind ik, op een gegeven moment gaat het zelfs over dat opvallende randje oogwit dat je soms ziet glanzen boven (of onder?) pupillen: “… Sanpaku ogen. Japanners zeggen dat de witte bovenrand een teken is van criminele aanleg – en dat duidt op een vorm van bruutheid die voortkomt uit geestelijke disbalans. Charles Manson had het. Jack Nicholson. En alle Illuminati…” (aha, dacht ik, daarom vond ik die vent van de cup-a-soup reclame altijd zo vreselijk). Uiteindelijk vraag je je af of Alexei Krups en Bodo Klein wel zo heel veel verschillen. Terwijl Krups op zijn bed ligt te wachten op het doorbreken van empathie in de publieke opinie, staat Bodo Klein na het succesvol uitvoeren van zijn opdracht als een bejaarde kleuter, mokkend met zijn rug naar zijn vrolijke familie, uit het raam van de eetkamer te staren. Hij voelt zich door en door verlaten. Niemand heeft aandacht voor hem. Ze hebben wel wat anders aan hun hoofd: er is een baby geboren. Zijn vrouw, de wonderdokter, weet de dramatische situatie op een weergaloze manier ‘klein’ te houden, zoals de therapeuten ons veelal adviseren. “… Kom nou, lieverd,’ zegt ze. Dat zegt ze, ‘lieverd’, en ze zegt ook nog ‘de soep wordt koud’…”. Ei-gen-lijk zijn mannen best wel een beetje zielig, af en toe. Van mij mag Maxim Frebruari de volgende oudejaarsconference schrijven.

Uitgave: Prometheus – 2017, 256 blz., ISBN 978 904 463 414 3, € 19,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

donderdag 21 december 2017

Sneeuw – Orhan Pamuk


Terwijl ik bij sneeuw vanzelf zachtjes zilveren klokjes hoor klingelen die ik associeer met een dromerig winter-wonderland schijnen er, volgens een grappig krantenartikel in het ND van zaterdag 16 december, ook sneeuwhaters te zijn. Die beginnen al te rillen als ze alleen nog maar naar buiten kijken. Volgens ene Karin de Korte, een psycholoog, zijn dromen over sneeuw vaak geen goed teken: “… Sneeuw en ijs symboliseren in het algemeen remmingen en verdrongen emoties…”. De Korte wil mensen uit een ‘dwaaltoestand’ halen: “… Het kan zijn dat mensen zeggen dat ze lekker gedroomd hebben over sneeuw. Bijvoorbeeld over dat ze naast een sloot liepen in een eindeloos wit landschap. Je denkt rationeel misschien dat je een goede, mooie droom hebt gehad, maar ik zal je, terwijl je die droom vertelt, altijd vragen wat je er nou bij voelt. Vaak zeggen mensen dan: ik heb het eigenlijk heel koud. Een droom is vaak de klop op de deur…”. Een lezer tipte mij: ‘Als je “Sneeuw” van Orhan Pamuk hebt gelezen begrijp je Turkije’. Ik las het terwijl buiten de sneeuw gestaag uit de hemel viel. De vrijgezelle, tweeënveertigjarige hoofdpersoon in het boek is een dichter, Ka, die al vrij snel meedeelt dat hij in een gedicht dat weinig bekendheid geniet, schrijft dat “… de sneeuw één keer in ons leven ook in dromen valt…” – en wel “… langdurig en geluidloos…”. De sneeuw in het boek verbergt inderdaad een hoop narigheid, daar heeft De Korte gelijk in…

Begrip

Om maar gelijk met de deur in huis te vallen, de boodschap van deze vrij taaie, maar prachtige roman uit 2003, ligt wat mij betreft voor het oprapen in een fragment iets voorbij het midden: “… Misschien zijn we nu aangeland bij de kern van ons verhaal. In hoeverre is het mogelijk de pijn en liefde van een ander te begrijpen? In hoeverre zijn we in staat te bevroeden wat anderen doormaken, van wie de pijn heviger is, het gemis, de gekweldheid intenser? Als begrip betekent dat men in staat is zich in een ander, die van ons verschilt, in te leven, hebben dan alle rijkaards en rechters van deze wereld, ooit de miljarden sloebers in de marge kunnen begrijpen? In hoeverre is Orban, de romanschrijver, in staat de duisternis in het moeilijke en verdrietige leven van zijn vriend, de dichter, te zien? …”. Het doet me denken aan een filmpje over verzetsstrijder Hebe Kohlbrugge, zie hier. Goed, het verhaal. Ka, die als politiek vluchteling twaalf jaar in Duitsland verbleef, is terug in Turkije en op weg naar het godvergeten grensstadje Kars, om er als journalist de gemeenteraadsverkiezingen te verslaan (de burgemeester is onlangs doodgeschoten, maar je zou er wel veilig over straat kunnen) en de zelfmoordepidemie onder vrouwen te onderzoeken. Terwijl hij in de bus zit gaat het steeds harder sneeuwen. Tegen de tijd dat hij zijn intrek neemt in hotel ‘Sneeuwzicht’ - asjemenou! - is de desolate stad vol kaartende werklozen hermetisch afgesloten van de buitenwereld.

Sommige boeken verjaren nooit
Een driedaagse helletocht vangt aan, uitgesmeerd over bijna 600 bladzijden. De zelfmoordverhalen zijn verbijsterend: “… De haken die in het plafond waren geslagen, de wapens die van tevoren al waren geladen, de flessen gif die van de zijkamer waren gesmokkeld, bewezen dat de meisjes die zelfmoord hadden gepleegd al een hele tijd met dit idee speelden…”. En waarom? Natuurlijk voelden de meisjes zich extreem ongelukkig, “… Maar als je ongelukkig voelen reden genoeg is voor zelfmoord, dan zou de helft van de vrouwen in Turkije zich van het leven beroven…”. Een van de dode meisjes moest zich op korte termijn verloven met de bejaarde eigenaar van een theehuis. Een ander sloeg, na een paar flinke tikken van haar vader, een fles van het landbouwgif Mortaline achterover alsof het een flesje prik was. En eentje nam twee dozen slaappillen in nadat een leraar op school de klas had verteld dat ze geen maagd meer was. Haar aanstaande zag daarop af van een huwelijk, haar oma zei dat ze ‘toch wel niet zou trouwen’, en haar vader barstte in tranen uit bij iedere bruiloftscene op televisie. Bij sectie bleek ze wel degelijk maagd te zijn. Ik dacht aan het acht-uur-journaal van vanavond. Wat is er veranderd? Sommige boeken verjaren nooit. Waar Ka zich echter vooral op concentreert zijn de godvruchtige meisjes die zelfmoord plegen omdat ze van de seculiere onderwijsinstellingen worden gestuurd omdat ze weigeren hun hoofddoek af te doen.

Orde op zaken
Het verhaal krijgt absurdistische trekjes als Ka ontdekt dat in de plaatselijke krant berichtjes over hem staan die nog niet eens hebben plaatsgevonden. Bijvoorbeeld dat hij een gedicht zou hebben voorgedragen tijdens een komende toneeluitvoering: “… ‘Ik heb geen gedicht dat ‘Sneeuw’ heet, en ik ben niet van plan naar het theater te gaan. Dit bericht zal dus niet kloppen.’ ‘Daar zou ik maar niet al te zeker van zijn. Er zijn zoveel personen geweest die ons hebben veracht omdat wij nieuws brachten voor het gebeurd was, en die de mening waren toegedaan dat wij geen journalistiek maar koffiedikkijkerij bedreven. Toch hebben ze menigmaal paf gestaan als de gebeurtenissen zich precies zo ontwikkelden als wij ze beschreven hadden. Heel veel incidenten zijn louter en alleen gebeurd omdat wij er van tevoren over geschreven hadden. Zo gaat dat in de moderne journalistiek. Ik ben ervan overtuigd dat u niet van zins bent om Kars het recht te ontnemen modern te zijn, dat u ons niet wilt teleurstellen, en dat u dus eerst een gedicht zult schrijven dat ‘Sneeuw’ heet, en dat vervolgens voor zult komen dragen’…”. En dan is er nog dat artikel dat gaat over de wegen die zijn afgesloten vanwege sneeuwval: “… Kars zal drie dagen lang aan zijn eigen lot overgelaten zijn, zoals in de strenge winters van weleer. Dit biedt ons de gelegenheid orde op zaken te stellen…”. Na een jarenlange writersblock wordt Ka, terwijl hij door de sneeuw baggert, op de meest onverwachte momenten overvallen door de engel van inspiratie: “… Bij nauwkeurige lezing van de notities blijkt namelijk dat Ka het idee had dat de gedichten die in Kars tot hem kwamen niet geheel van zijn eigen hand waren. Hij geloofde dat die gedichten van ergens buiten hemzelf ‘Kwamen’, en dat hij alleen als medium diende om ze op te schrijven – en in één geval voor te dragen…”.

Overgeleverd aan de dierlijke lust van de man
“… Ka was doodsbang verliefd te worden, gedreven door dat heftige instinct van hen die hun beperkte liefdesleven ervaren hebben als een aaneenschakeling van pijn en schaamte…”, maar dat gebeurt toch. En wel op de onwezenlijk mooie Ipek, een gescheiden dochter van de hoteleigenaar, die hij nog kent van de universiteit. Haar ex, met wie ze geen kinderen kon krijgen, heeft zich, verbitterd door het lot, op de godsdienst gestort en zich kandidaat gesteld als burgemeester van een conservatieve, islamitische partij: “… Om te beginnen zijn die vrome mensen bescheiden, zachtaardig, begripvol. Ze halen niet meteen hun neus op voor het volk, waar die verwesterse types zo’n handje van hebben; ze zijn liefdevol en gekwetst…”. De politieke islam paait de mensen met geld en kadootjes. Toch wordt er voor de ogen van Ipek en Ka zonder pardon een seculiere schooldirecteur neergeknald in een lunchroom. Later zal Pamuk, die zich nadrukkelijk in het verhaal schrijft, het bandje in handen krijgen uit het afluisterapparaat dat op het lijf van de directeur is geplakt. Een heel hoofdstuk verwoordt het gesprek tussen de moordenaar en de vermoorde. Eerst zou de directeur op last van Ankara de namen van de gesluierde meisjes hebben doorgestreept, daarna negeerde hij de meisjes door ze geen kopje thee te geven, toen werden ze gedwongen op de gang te gaan zitten in plaats van in de klas, en op het laatst mochten ze helemaal niet meer naar binnen, werden ze opgepakt door de politie en afgeranseld. Volgens de moordenaar betekent de sluier voor de vrouw dat zij niet meer overgeleverd is aan de dierlijke lusten van de man: “… De zwarte islamitische professor Marvin King uit Amerika heeft onderzoek gedaan waaruit blijkt dat in islamitische landen, waar de vrouwen zich bedekken, verkrachtingen vrijwel niet voorkomen, en aanrandingen uiterst zeldzaam zijn. Want een volgens de voorschriften gesluierde vrouw geeft met haar kleding in de eerste plaats te kennen dat ze haar niet lastig moeten vallen. Mag ik alstublieft iets vragen? Als je meisjes die hun hoofd bedekken verstoken laat van onderwijs, en meisjes in onbeschaamde kledij de boventoon laat voeren, gooi je dan de eer van onze vrouwen niet te grabbel, net als in Europa gebeurd is na de seksuele revolutie? En worden wij mannen dan niet – permitteert u mij de formulering – gedegradeerd tot pooier? Daar zijn we dan toch op uit?...”.

De sneeuw doet mij aan God denken
Ka maakt kennis met een levende legende: de ondergedoken terrorist Indigo. Tot zijn verbazing een mooie jongen die er absoluut niet uitziet als één van de in de westerse media afgetekende baardapen. Verder komt Ka in een geheime loge van een charismatische sjeik terecht, wiens goeroekwaliteiten alleen al maken dat je je verlicht voelt en bekeert tot de islam. Hij knoopt een gesprek aan met een stel jonge moslimfundamentalisten die elkaar het hoofd op hol brengen met de gekste verhalen. Zo zou de leider van een imamschool zijn geloof hebben verloren, alleen door in een lift van een wolkenkrabber besmet te worden door een man met een atheïstisch boek. Hij geeft zich over aan alle mogelijk denkbare zonden. Hij steelt, hij verkracht, en: “… Hij ging de straten op en verkondigde – bewaar me – dat God niet bestond, dat er van de moskeeën discotheken gemaakt moesten worden, en dat iedereen christen moest worden omdat je dan pas net zo rijk kon worden als de westerlingen…”. Ondertussen wordt de beste man overvallen door zelfmoordneigingen en wanhoop. Tenslotte gaat hij terug naar de lift waar hij dezelfde meneer van eerst tegen komt: “… Hij liet de omslag van het boek dat hij in zijn handen had zien, want daarin lag het medicijn tegen atheïsme besloten. De directeur reikte met trillende hand naar het boek, maar de lange man trok een briefopener met parelmoeren heft te voorschijn en, voor de lift stopte, stak hij hem in ’s mans hart…”. Ka kent het verhaal want het doet ook in Duitsland de ronde. Of Ka ook atheïst is? En of Ka soms ook zelfmoord wil plegen? “… ‘De sneeuw doet mij aan God denken,’ zei Ka…”.

Solidariteit
Ipek heeft een zus die religieus is geworden en als geen ander duidelijk maakt dat de secularisten net zo erg zijn als de islamisten: “... die meisjes, die hun hele leven te horen hebben gekregen dat ze hun hoofd moesten bedekken, kregen nu opeens de opdracht hun hoofd te ontbloten, omdat de staat dat wilde…”. En even verder: “… Voor een meisje dat weet dat haar hoofddoek een bevel van God is en dat hem draagt als een banier, is het heel moeilijk om zich later zonder hoofddoek tussen de mensen te begeven…”. Uit pure solidariteit heeft ze op een goede dag ook een hoofddoek omgedaan, is hen gaan opzoeken, en toen ze gearresteerd werd, gelovig geworden. Inmiddels is ze de leidster van de sluierdraagsters. Christenen zeggen dan: het bloed der martelaren is het zaad der kerk. Haar atheïstische vader beschouwt het allemaal als een opstandige gril. Een vriendin van haar vertelt dat de staat een ‘ompraatster’ op gesluierde meisjes afstuurt en dat ze bang is dat ze een wellustige vrouw wordt als ze haar hoofddoek afdoet. Volgens haar is zelfmoord de enige manier om over je eigen lichaam te beschikken. De zus van Ipek heeft het over ‘trots’ als motief: de vrouwen willen zich niet langer laten koeioneren door mannen. En als je het toch hebt over boter op je hoofd: “… Nadat de Azeri-journalist, die eerder om de haverklap had gevraagd ‘over welke natie het nu eigenlijk ging’, had geroepen dat men vooral het ‘Turkendom en de religie’ trouw moest blijven, en een uitgebreid overzicht begon te geven van de kruistochten, de Holocaust, de indianen die in Noord-Amerika waren uitgeroeid, de moslims die in Algerije door de Fransen over de kling waren gejaagd, stelde een defaitist in het gezelschap spitsvondig de vraag waar dan al die miljoenen Armeniërs gebleven waren die ooit in Kars, en in heel Anatolië, hebben gewoond…” (expliciete uitspraken over de Armeense genocide hebben van de nobelprijswinnaar Orhan Pamuk nog net geen persona non grata gemaakt).

Mannen
Als tijdens een toneelstuk in het plaatselijke theater die avond een chador wordt verbrand en de aanwezige moslimscholieren onrustig worden, komen er schietende soldaten het podium op. Eerst denkt het publiek nog dat het om een geintje gaat. Maar de kogels zijn echt, en de militaire coup is ook echt. Er vallen doden en gewonden. Er volgen arrestaties vanwege separatisme en Koerdisch nationalisme. Twee tanks rijden als trage, duistere schimmen rond in de sneeuw. Ook Ka wordt opgepakt. De hele tijd heeft er een politiespion op zijn hielen gezeten. Hij heeft zoveel gearresteerde geloofsgekken gezien en gesproken, hij kan er vast wel een paar identificeren. De putsch lijkt niets met Ankara te maken te hebben, maar alles met het eigenmachtige optreden van de linkse theatermaker, die Ka gevraagd heeft een gedicht voor te komen dragen in zijn programma. Hij wil koste wat kost voorkomen dat de islamisten de lokale verkiezingen winnen. De pot verwijt de ketel: “… Immers, als de mensen niet bang zijn voor godsdienstfanaten en hun heil niet zoeken bij de staat en het leger, dan vallen ze in handen van achterlijkheid en anarchie, zoals dat ook gebeurt in bepaalde stammenrepubliekjes in het Midden-Oosten en Azië…”. Ook Indigo weet Ka weer stiekem te ontbieden. Hij heeft een boodschap voor ‘de hele wereld’: “… Dat wij zo arm zijn is niet, zoals westerlingen denken, de reden dat wij hier zo gehecht zijn aan onze God, de reden is dat wij meer dan wie ook benieuwd zijn naar wat onze taak op deze wereld is en naar wat er in die andere wereld te gebeuren staat…”. De zus van Ipek blijkt zijn geheime minnares. Ze pikt echter niet álles uit naam van de islam: “… ‘Van geen van de vrouwen die vanwege hun hoofddoek zijn gemaltraiteerd en van school gestuurd staat de naam in de krant,’ zei Kadife met diezelfde blinde woede. ‘Niet die vrouwen die hun leven geruïneerd zagen door hun hoofddoek staan met hun foto in de krant, maar die provincaalse, angsvallige slome islamisten die voor hen spreken’…”. Zoals bijna altijd, óók in mijn godsdienst als die maar extreem genoeg is, brengen de vrouwen de grootste offers. Er wordt een clandestiene vergadering bijeen geroepen in een hotelkamer waar alle tegenstanders van de geënsceneerde staatsgreep hun zegje mogen doen, zodat er een democratische verklaring kan worden opgesteld voor de Duitse media waar Ka voor zegt te werken (zogenaamd). Als de bijeenkomst hoe langer, hoe gezelliger wordt, en eindigt in schuine praatjes over westerse blondjes, wordt de zus van Ipek zo boos dat ze haar hoofddoek afrukt, en roept dat ze van de aanwezigen walgt: “… U geneert zich kennelijk niet, maar ik moet blozen, als ik dat allemaal aanhoor. Ik doe dit hier om mijn hoofd, zodat u mijn haar niet kunt zien, en ik onderga dit omwille van jullie, maar…”. Mannen zijn ook overal hetzelfde…

Kwaaie pier
Weer verschijnt er een kafkaësk bericht in de krant: “… Een Goddeloze in Kars. IEDEREEN VRAAGT ZICH AF WAT DE ZOGENAAMDE DICHTER KA IN DEZE ROERIGE TIJDEN PRECIES IN KARS UITVOERT. Heftige Reacties Inwoners Kars op Introductie Zogenaamde Dichter in Directe Uitzending van Gisteren…”. Zo wordt Ka de kwaaie pier, de aanstichter van alle kwaad. Hij durft de deur niet meer uit zonder politiebegeleiding. Nog een verontrustend toekomstbericht luidt: “… Dood op de planken. VOORAANSTAANDE ACTEUR SUNAY ZAIM TIJDENS DE VOORSTELLING VAN GISTERAVOND DOODGESCHOTEN. Tijdens Het Historische Optreden Gisteravond In Het Gewestelijk Theater, Heeft Sluierdraagster Kadife In Het Vuur Van De Verlichting Haar Hoofddoek Afgeworpen Om Vervolgens Kogels Af te vuren Op Sunay Zaim, In De Rol Van Slechterik. De Inwoners Van Kars, Die Het Incident Via De Rechtstreekse Uitzending Op Televisie Volgden, Waren Ontzet…”. Uiteindelijk eindigt het verhaal in een ongelooflijke soap, waarin Indigo gevangen wordt genomen, en zijn gesluierde minnares onder druk wordt gezet om mee te spelen in een nieuw toneelstuk waarin ze haar hoofddoek afgooit, om hem vrij te krijgen. Ka bemiddelt in alle toestanden, maar verraadt de schuilplaats waarin Indigo zich, nadat hij op vrije voeten is gesteld, heeft teruggetrokken. Hij wordt vermoord. Als Ipek ervan hoort weigert ze met Ka mee te gaan naar Duitsland om samen een nieuw leven te beginnen, zoals ze hem had beloofd, en haar zuster schiet inderdaad tot haar eigen verbijstering haar tegenspeler, de verlichte theatermaker dood, met een pistool waarvan het publiek even daarvoor nog was aangetoond dat het ongeladen was. Trouwens, een ordinaire soap, iedere middag om vijf uur op televisie, is het enige middel dat het hele volk samenbindt. Zelfs de politie vergeet dat ze Ka net aan het martelen zijn als er een aflevering begint. Orhan Pamuk vertelt over het onderzoek dat hij heeft gepleegd naar de wederwaardigheden van zijn vriend die vier jaar na het gebeurde in Kars midden op straat in Frankfurt is doodgeschoten. Waarschijnlijk uit wraak, maar dat weet niemand precies.

Vrouwen
Aan de ene kant baadt het verhaal in een W.G. van der Hulst-sfeer: “… Het sneeuwde zo mooi! Het sneeuwde met zulke grote vlokken, zo gestaag, alsof het nooit meer op zou houden, zo stil! De omhooglopende brede Karadaglaan, kniehoog bedekt met sneeuw, verdween in de duisternis van de nacht. Zo wit en geheimzinnig!...”. Aan de andere kant barst het van de gruwelen. Terecht vraagt de gesluierde zus van Ipek zich af waarom jan en alleman zich eigenlijk druk maakt om de zelfmoord van een paar meisjes, als de mannen elkaar onderling vanwege hun politieke overtuigingen om het minste of geringste afslachten. Misschien verwoordt Pamuk zijn frustraties over Turkije wel op zijn allerhevigst en allermooist in een tirade die hij de verlichte theatermaker in de mond legt. Alsof hij zijn volksgenoten een geweldige trap onder hun indolente achterste wil geven: “… ‘Ze geven elkaar allemaal aan,’ zei hij. Hij vertelde dat hij in al die jaren dat hij toneelstukken had opgevoerd in afgelegen Anatolische provincieplaatsjes gezien had dat in dit land alle mannen verlamd waren door zwaarmoedigheid.‘Dagen en nachten achtereen hangen ze maar in theehuizen en voeren geen klap uit,’ vertelde hij. ‘In iedere provincieplaats honderden, over heel Turkije zijn dat honderdduizenden, miljoenen zielige kerels zonder werk, zonder hoop, zonder initiatief, zonder ook maar iets te presteren. Mijn broeders hebben niet de moed meer om te zorgen dat ze er fatsoenlijk bij lopen, geen wilskracht om hun vettige, smoezelige jasjes dicht te knopen, geen energie om nog een vin te verroeren, geen concentratie om tot het eind toe naar een verhaal te luisteren, geen puf om te lachen om een grap.’ Hij vertelde dat de meesten zo ongelukkig waren dat ze geen oog meer dichtdeden, dat ze graag rookten omdat ze daaraan doodgingen, dat de meesten hun zinnen niet afmaakten omdat ze halverwege er de zinloosheid al van inzagen, dat ze niet naar de televisie keken omdat ze de programma’s zo leuk en amusant vonden, maar omdat ze die andere zwaarmoedigen niet konden verdragen, dat ze eigenlijk dood wilden maar dat ze zichzelf geen zelfmoord waard vonden, dat ze bij de verkiezingen stemden op de waardelooste kandidaat van de armetierigste partij zodat ze hun hun verdiende straf konden geven, dat ze liever de plegers van een militaire coup hadden, die voortdurend straf beloofden, dan politici, die almaar hoop in het vooruitzicht stelden…”. Zijn vrouw “… zei dat ze allemaal een ongelukkige vrouw thuis hadden zitten, die voor de kinderen zorgde, waarvan ze er trouwens veel meer op de wereld hadden gezet dan nodig was, en die een paar centen probeerde te verdienen door ergens, zelfs hun man wist niet waar, aan de slag te gaan als dienster, tabaksarbeidster, tapijtknoopster of verpleegster. Het was dat die vrouwen er waren, die zich - huilend en schreeuwend tegen de kinderen – aan het leven vastklampten, want zonder hen zouden miljoenen mannen, die heel Anatolië in hun greep hadden en die met hun ongewassen hemden, hun ongeschoren kaken, hun vreugdeloze, werkloze, vruchteloze bestaan allemaal op elkaar leken, stuk voor stuk ten onder gaan zoals bedelaars die in vriesnachten op de hoek van de straat doodvriezen, zoals dronkaards die de kroeg uitkomen, in een openstaande put van de riolering donderen en verdwijnen, of zoals demente opa’s die in pyama en op pantoffels voor een brood naar de kruidenier gestuurd worden en onderweg verdwalen. Maar ze waren, zoals we in dit meelijwekkende Kars wel zagen, met veel te veel en het enige waar ze plezier aan beleefden was hun vrouw, aan wie ze hun leven te danken hadden en van wie ze hielden met een liefde waar ze zich voor schaamden, onder de plak te houden…”. Zó is het ook nog eens een keertje…

Uitgave: De Bezige Bij – 2012, vertaling Margreet Dorleijn & Hanneke van der Heijden, 576 blz., ISBN 978 902 347 648 1, € 12,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier