Menu

woensdag 18 april 2018

God en ik – Alain Verheij


Subtitel: Wat je als weldenkende 21e-eeuwer kunt leren van de Bijbel

In mei komt “God en ik” van de jonge theoloog Alain Verheij (1989) uit. Daarin vertelt hij wat de Bijbel in zijn ogen te bieden heeft aan seculiere mensen anno nu. Ik verwachtte niet dat Verheij iemand als ik, die al een halve eeuw is doodgegooid met Bijbelverhalen, nog zou kunnen verrassen. Dat deed hij wel…

Het verhaal gaat

Ooit ben ik deze blog begonnen omdat ik denk dat verhalen kunnen helen. In zijn indrukwekkende boek “Morgen zal het Pasen zijn. Een rondgang om het waarom van het lijden” (zie hier) haalt André Troost een citaat van Henri Nouwen aan: “… De rabbijnen leiden hun mensen met verhalen; dienaren des Woords leiden hun mensen meestal met ideeën en theorieën. Maar wij zouden weer grote vertellers moeten worden…”. Waar wordt verteld, wordt geluisterd. Troost: “… Wij zouden weer stem moeten geven aan wie geen woord meer vinden kan. Hoe? Door een luisterend oor te bieden. Door ruimte te geven aan de klacht. Maar ook door de aloude verhalen te vertellen, zó dat ze ook blijken te passen in de lijst van onze eigen tijd. Door te vertellen over de tocht van Abraham, over het gevecht van Jakob met God, door te vertellen over de verzwaring van de lasten der Israëlieten in Egypte en over de uittocht, na jaren van verdrukking; door te vertellen over Elia, die moedeloos in de woestijn gestorven zou zijn, als niet een engel hem had gevoed; door te vertellen over Zacharias, die wel spreken wilde, maar niet kon; door te vertellen over Johannes, die een heraut van de Messias was, maar in de gevangenis aan zijn roeping twijfelde. Maar vooral door te vertellen over Jezus, die water in wijn veranderde te Kana in Galilea, maar op de begraafplaats van Bethanië huilde, omdat zijn vriend Lazarus gestorven was. Zó zouden we bij elkaar moeten zijn, in dagen van verdriet, luisterend, vragend, vertellend, verhalend…”. Even daarvoor heeft hij het net over zijn zieke dochtertje gehad: “… Toen raakte ze in coma. Dagenlang. We hoopten. We baden. We streelden haar. We vertelden verhalen. Toen kwam ze bij. Maar spreken deed ze niet. Ze keek voor zich uit. Ze zei geen woord. Ze plukte maar wat pluisjes van haar deken. En dat duurde, dat duurde maar. Dagenlang…”. En dan: “… Op een dag las ik haar voor. Een verhaal uit de kinderbijbel. Kerst was in zicht. Ik las het verhaal van Zacharias. Ik dacht: misschien vind je dat mooi, misschien herken je jezelf een beetje in de stomme Zacharias. En zo las ik. Ik las gewoon voor. Totdat ik moest lezen hoe de oude priester uit het heiligdom kwam, het volk wilde zegenen, zijn mond opende om de aloude woorden te spreken, maar ontdekte dat hij wel zijn mond open kon doen, maar dat er geen woord over zijn lippen kwam. Ik liet de tekst van het verhaal uit de kinderbijbel los. Ik vertelde het verhaal op mijn eigen manier. Ik zei: ‘Hij wilde iets zeggen, maar het ging niet. Hij wilde wel, maar hij kon het niet…’ En toen, op dat moment, toen ik die woorden met enige nadruk sprak, tóen deed ze haar mond open en sprák… Eén woordje. Ik weet niet meer wat ze zei. We waren op van de spanning. En we huilden, we huilden om een kind dat na dagen zwijgen weer één woord gesproken had… De volgende dag zei ze nog een woord. En de dag daarop een paar woorden. En na een week sprak ze weer als vanouds, guitig, vrolijk zoals vroeger…”. Een artikel in het ND van 30 maart over Christien Brinkgreve (1949, hoogleraar sociale wetenschappen), naar aanleiding van haar boek "Het raadsel van goed en kwaad", deed mij weer eens beseffen wat voor een ontzagwekkend boek de Bijbel eigenlijk is. Hoe het al duizenden jaren mensen over de hele wereld inspireert. Brinkgreve: “… Mijn generatie heeft door de oorlog een grote weerzin gekregen tegen grote theorieën, grote verhalen. Dat is begrijpelijk. Maar verhalen zijn wél nodig om mensen samen te binden…”. Ze waarschuwt voor wat verloren gaat als alles statistiek wordt en keert zich tegen de marginalisering, verwaarlozing en uitsluiting van mensen. Als er niet meer met respect geluisterd wordt, vallen er mensen buiten de boot. Ze heeft een groep jonge wetenschappers bij elkaar gebracht - psychiaters, psychologen, onderwijskundigen, bedrijfskundigen, filosofen, schrijvers - om na te denken over hoe ze voorbij het tegenwoordige regime van meten en tellen kunnen komen: de groep Babel. In feite willen ze een ‘nieuw verhaal’ ontwikkelen. Ga er maar aan staan, dacht ik. Zou je ooit zo’n krachtig verhaal kunnen verzinnen dat het de Bijbel kan evenaren? Of vervangen?

De wereld is geen paradijs

Verheij begint zijn uitleg aan de hand van het ritueel van de doop. Het heeft te maken met het oerverhaal uit de Bijbel: “… een redding dwars door het water van de onvermijdelijke dood…”. In verband hiermee over de zondeval van Adam en Eva in het paradijs: “… Het is een verhaal dat enorm tot de verbeelding spreekt en heel veel vragen oproept. In de literatuur en de beeldende kunst stelt men zich voor hoe het paradijs eruitzag, wat het voor vrucht was die de mens niet mocht eten, hoe het echtpaar samenleefde in de tijd voordat het fout ging. Sommige gelovigen speculeren over de tijd en de plaats en de betekenis van elke letter van het verhaal. Toch moet je de kern van de zondeval niet in het paradijsverhaal zoeken, maar juist in onze huidige leefwereld. Het belangrijkste gegeven dat dit oude verhaal ons wil mededelen is dit: de wereld waarin wij geboren zijn is geen paradijs en gaat dat ook niet worden…”. Ook Verheij heeft een boodschap , mocht hij onverhoopt vader worden (zie Laurens in mijn vorige blog): “… Lief kind, je bent geboren in een wereld waar je niet voor gekozen hebt. Je bent geboren in verbondenheid met een vader, een moeder, een land, een God waar je niet voor gekozen hebt. Niets kan jou garanderen dat het hier makkelijk zal zijn. Integendeel: het is een wereld waar kinderen tot slaaf worden gemaakt, waar mensen ziekten en verslavingen opdoen en elkaar onderdrukken, waar rivieren, zeeën en zwepen tussen jou en de vrijheid staan…”. Hij relateert een en ander aan de ‘Exodus’, de uittocht uit Egypte: “… we hebben allemaal onze farao, onze dwangarbeid, onze Nijl en onze zee. In de doop buigen je ouders hun hoofd in dat besef. Je bent mens, en bij mens-zijn hoort lijden. Maar het lijden krijgt in dit verhaal niet het laatste woord…”.

De tweede naïviteit
Verheij schrijft een prachtig stuk over het bereiken van de ‘tweede naïviteit’. Op een gegeven moment gelooft een kind niet meer in Sinterklaas. En als Sinterklaas niet bestaat, wie of wat - God bijvoorbeeld - bestaat dan nog wel? “… De Franse filosoof Paul Ricoeur noemt dit verlies van de ‘eerste naïviteit’. Ieder mensenkind gaat door een kritische fase heen, waarin het alles op echtheid toetst. Als het goed is, gaat die kritische fase over in de ‘tweede naïviteit’. Daar is weer ruimte voor verwondering, terwijl de lessen uit de tijd van de vertwijfeling óók hun plek krijgen. Om bij het sinterklaasvoorbeeld te blijven: het lukt de meeste volwassenen uiteindelijk wel weer om van de ouderwetse 5 decembersfeer te genieten, ook al verwachten ze geen paard meer op hun dak. Je gooit de sint niet met het badwater weg nu je weet dat hij niet bestaat…”. In de evangelische bubbel, waar zowel Verheij als Johan Lock (zie mijn vorige blog) hebben vertoefd, blijven mensen volgens Verheij nogal eens op een gevaarlijke manier hangen in de eerste naïviteit. Zie de praktijk van gebedsgenezing of zelfs het geloof in dodenopwekking. Heeft gebed dan geen nut? “… Er bestaat geen magische geest in een olielamp die je kunt oproepen voor een kant-en-klare oplossing in geval van kanker, orkanen of herexamens. Maar er zijn andere manieren om naar een gebed te kijken. De twintigste-eeuwse schrijver C.S. Lewis heeft mij op een vruchtbaar spoor gezet met deze uitspraak over gebed: ‘Het verandert God niet – het verandert mij.’…”. Je kunt niet alleen in de magische, maar ook in de kritische fase blijven hangen: “… Dat is een net zo onvolwassen levenshouding, die bovendien behoorlijk ongeloofwaardig is. Daarvoor hebben we te veel dromerige intuïtie en kinderlijke verlangens in ons. Ik vertrouw in principe niemand die zichzelf als volkomen rationeel beschouwd. Op religieus gebied vind je deze mensen in doodsaaie debatten over het al dan niet bestaan van God. Overtuigde atheïsten redeneren God weg en net zo overtuigde theïsten redeneren Hem terug, maar aan het eind van het gesprek ben je niets wijzer geworden over het leven of het universum…”. De enige manier om volwassen door het leven te gaan, is de weg van de tweede naïviteit van Paul Ricoeur: “… Het zoeken van een goede balans tussen de droom en de scepsis is een levenslange koorddans…”.

Gideonsbende
Nog een sterk fragment, dat bijna illustratief is voor “De erfenis van Adriaan” (zie mijn vorige blog), gaat over het fenomeen ‘gideonsbende’. Naar aanleiding van het verhaal over de richter Gideon en zijn steeds kleiner wordende legertje: “… Het schijnt een sociologisch principe te zijn dat een groepering succesvoller is als je met een kleine club zeer toegewijde, specifieke deelnemers begint. Geef dat groepje mensen vervolgens een heldere identiteit – een ‘wij’ dat scherp is afgegrensd tegen het ‘zij’ van de buitenwereld. Zorg ten slotte voor radicaliteit: een succesvolle beweging maakt het de leden niet makkelijk, maar eist veel toewijding van hen…”. En even verder: “… ‘Hoe meer zielen, hoe meer vreugd’ is in de meeste gevallen onzin: de wereld verander je met fanatieke fellowships, niet met logge menigten…”. Zie ‘Band of Brothers’ en ‘The Lord of the Rings’. “… Om je radicale beweging helemaal af te maken heb je naast een veeleisende moraliteit en een groots droombeeld ook heldere identiteitsmarkers nodig…”. Oftewel, zoals onze dominee vroeger van de kansel bazuinde: ‘Een christen herken je aan z’n praat, z’n daad en z’n gewaad’, wat een tante van mij dan weer vertaalde in: ‘Rok tot de grond, haar tot de kont.’ Verheij: “… Een identiteit is van onschatbare waarde en mag dus wat kosten…”. Tegelijk kan je identiteit ook een stok worden om anderen mee te slaan in plaats van een stok om op te leunen. Zie Jona die niet kan leven met zo’n allemansvriend als God: “… Jona is trots op de genadige God van zijn volk, totdat hij die genadige God met anderen moet delen…”. Verheij: “… Er zijn altijd kerkmensen te vinden die de liefde van God bepreken, maar stiekem hopen op een potje straf voor buitenstaanders…”.

You want it darker
Tot Verheijs’ ‘best of’ horen ook de bizarre teksten over Abraham die van God de opdracht krijgt zijn zoon Isaak - bijna sadistisch uitgesponnen tot: ‘je enige, van wie je zoveel houdt’ - te gaan offeren op de berg Moria. Uitgerekend dit huiveringwekkende verhaal hebben jodendom, christendom en islam gemeenschappelijk. “… Zanger Leonard Cohen, die als joodse jongen al jong werd geconfronteerd met het verhaal van Isaaks offer, schreef aan het eind van zijn leven het lied ‘You Want It Darker’, waarvan het refreintje ‘hineni, hineni’ aan dit verhaal refereert. Onder begeleiding van een synagogekoor snauwt hij naar de God van het kinderoffer: ‘If you are the dealer, I’m out of the game.’ In de jaren zestig heeft de zanger het verhaal ook in een liedtekst verwerkt: ‘The Story of Isaac’ is een hervertelling vanuit het oogpunt van de zoon in plaats van de vader en God. Dit is de conclusie: ‘You who build the altars now to sacrifice these children, you must not do it anymore.’ Geen visioen is heilig genoeg om er een kind aan op te offeren…”. De les die Verheij er uit trekt: “… In de benadering van Leonard Cohen wordt het verhaal van Abraham en Isaak een waarschuwing voor volwassenen in alle tijden. We horen tegenwoordig meestal geen stemmen meer uit de hemel die ons vertellen dat er een kind richting het altaar moet, maar er zijn genoeg heilige huisjes waar kinderen voor moeten lijden. Oorlogen zijn bij uitstek groteske plannen van volwassenen die door jongeren worden uitgevochten. Kleding en technologie zijn de heilige consumptiemiddelen in onze maatschappij, waarvoor kinderen in andere werelddelen onder erbarmelijke omstandigheden moeten werken…”. En dan heb ik het nog maar niet over kinderporno. Of over incest, kindermishandeling en vechtscheidingen.

Wie is Rispa?
Ik kan moeilijk alle onderwerpen behandelen waar Verheij het over heeft. Een intrigerende vraag wil ik er nog wel even uit lichten: “… Wie is Rispa? Als je het antwoord weet, heb je de Bijbel pas écht goed gelezen…”. Ik had in ieder geval geen idee. Rispa blijkt een bijvrouw van de Israëlitische koning Saul te zijn. Over haar verhaal lees je zo heen. Aanhangers van Sauls’ rivaal, de latere koning David, hangen op een berg uit wraakzucht zeven tegenstanders, waaronder twee van Rispa’s zonen, op. “… Wat Rispa besluit te doen is ongekend. Ze spreidt haar kleed op de rotsachtige bodem en blijft van de lente tot de herfst op die plek slapen, vlak naast de rottende lijken van de zeven gehangenen. De Dwaze Moeder avant la lettre slaapt maandenlang in de openlucht op de harde grond en vecht dag en nacht met een stok tegen de boden van de dood: de wilde dieren en de aasgieren die de lijken willen pikken. Rispa komt in verzet tegen het vernederende lot dat haar kinderen hebben moeten ondergaan in naam van een voortslepende vete, in opdracht van de schaamteloze regeerder…”. Koning David wordt getroffen door haar verhaal en laat alle dode lichamen alsnog een eervolle laatste rustplaats geven. “… In haar machteloze maatschappelijke positie, in haar speelbal-zijn van konkelende mannen, bleef zij haar gevoel voor rechtvaardigheid en haar liefde voor haar kinderen trouw. Precies deze verhalen verdienen om naverteld te worden, want de wereld schreeuwt om mensen die kunnen kijken vanuit het gezichtspunt van de Rispa’s – en in actie durven te komen met haar koppige moed…”.

Het eeuwige waarom
Verheij: “… Ik wil laten zien dat religie niet - zoals veel mensen denken - een bundel duidelijke antwoorden op grote levensvragen zijn. Religie is een arsenaal aan rituelen en verhalen die je helpen om gezond met die open vragen om te gaan…”. Job krijgt ook geen antwoorden (zie mijn blog over "Morgen zal het Pasen zijn"). God draait het juist om: hij onderwerpt Job aan een spervuur van vragen. “… Waar was Job toen de aarde ontstond? En is Job wel eens op de bodem van de zee geweest? Heeft Job enige macht over de bewegingen van de sterrenbeelden? Kan Job de geheimen van de wilde stier, de snelle struisvogel en paardenkracht doorgronden? De vragen stormen op hem af en Job doet er verder het zwijgen toe. God spreekt verder en eindigt zijn betoog met een uitgebreide, mythologisch aandoende omschrijving van het nijlpaard en de krokodil, de twee gevaarlijkste dieren uit de regio. De conclusie lijkt te zijn: beste Job, als je de strijd met deze twee dieren al zou verliezen, waarom zou je dan de strijd met de kosmische orde, met God zelf, wél aandurven? Je bent kansloos, want je pakt thema’s aan die je verstand moeilijker kan bevatten dan je handen een krokodil zouden kunnen bedwingen…”. Tegen de vrienden van Job is God beduidend minder mild: “… Dat Job zo dwaas is om grote vragen te stellen, soit. Maar dat deze drie mannen die vragen belerend dachten te kunnen beantwoordden, dat gaat God te ver. Hij geeft hun nog één escape: als ze Job vragen om voor hen te bidden zullen ze hun straf ontlopen. Dat doen ze dan maar…”. Verheij: “… De les is dat je in een volwassen wereld leeft en dus niet moet verwachten dat er kinderlijk duidelijke regels gelden – in de echte wereld kan het slecht aflopen met goede mensen. Dat gebeurt elke dag. Je kunt nog beter met een nijlpaard vechten dan dat je je hersenen pijnigt over de vraag waarom, want het antwoord krijg je niet…”.

Hoe diep je ook gaat…
“… Omgaan met tegenslagen is een cruciale opgave waar ieder mens ooit voor komt te staan, maar de Bijbel wil meer bieden dan alleen troost voor wie het moeilijk heeft. De Bijbelverhalen spreken van een positieve kracht die individuele mensen of een hele maatschappij uit een impasse kan halen…”. Over kerst - het winterfeest - als de viering van gloren van licht, in de kerk: “… een gemeenschap die elk jaar geduldig vertelt over een sprankje duurzame hoop…”. Over Pasen - het lentefeest: “… De lente geeft ons hoop met de steeds terugkerende belofte: hoe diep je ook gaat, je zult ooit tot bloei komen. Jezus gaf door zijn dood en opstanding zelf gestalte aan die belofte…”. Over het ideaalbeeld dat Paulus beschrijft in zijn eerste brieven: “… ‘Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus.’ Daarmee legt hij een bom onder segregatie op basis van rangen en standen, ras, religie en genderongelijkheid. Nu moeten wij ook opstaan, in een nieuw leven zonder de doodse rotzooi van ongelijkheid, machtsverhoudingen, racisme, seksisme en andersoortige onderdrukking…”. De Bijbel zet de wereld op z’n kop: “… Eerder droomde de Hebreeuwse profeet Jesaja ook al van een nieuwe wereld waarin alle verhoudingen anders zijn. Een van zijn visioenen staat gebeiteld in een muur vlak bij het gebouw van de Verenigde Naties in New York: ‘Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal meer het zwaard trekken tegen een ander volk, geen mens zal meer weten wat oorlog is.’ Ietsje verderop in zijn boek neemt Jesaja ook het dierenrijk mee in zijn vredeswensen: ‘Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam, een panter vlijt zich bij een bokje neer; kalf en leeuw zullen samen weiden en een kleine jongen zal ze hoeden.’…”. En even verder: “… Jesaja chargeerde, maar sprak wel woorden van waarheid toen hij zei dat we er pas waren wanneer een wolf rustig naast een lam gaat liggen. De Bijbel werkt met name toe naar een betere wereld door vertellingen vanuit het oogpunt van dat lam – van het slachtoffer…”.

There is some good in this World, Mr. Frodo. And it’s worth fighting for.
Verheij: “… Het is volgens de Bijbel onze plicht om een stem te geven aan de weerloze, de verdrukte, de onaanraakbare. Iedereen die in onze maatschappij minder kansen heeft moet de volle aandacht krijgen, zo vonden Jesaja, Jezus en Paulus. Je kunt deze liefdesrevolutie zelf gestalte geven door te eten met, te luisteren naar en ruimte te bieden aan hen met wie de samenleving achteloos omspringt. Dat zijn in zichzelf subversieve daden die een verkeerd sociaal evenwicht doen wankelen en een nieuwe wereldorde bevorderen…”. Verheij eindigt met het citeren van de lofzang van Paulus op de liefde. Het lijkt mij helemaal op zijn plaats dit hier ook te doen:

“… Al sprak ik de talen van alle mensen
en die van de engelen –
had ik de liefde niet, ik zou niet meer zijn
dan een dreunende gong
of een schelle cimbaal.
Al had ik de gave om te profeteren
en doorgrondde ik alle geheimen,
al bezat ik alle kennis
en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen –
had ik de liefde niet, ik zou niets zijn.
Al verkocht ik al mijn bezittingen
omdat ik voedsel aan de armen wilde geven,
al gaf ik mijn lichaam prijs
en kon ik daar trots op zijn –
had ik de liefde niet, het zou mij niet baten.
De liefde is geduldig en vol goedheid.
De liefde kent geen afgunst,
geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid.
Ze is niet grof en niet zelfzuchtig,
ze laat zich niet boos maken en rekent het kwaad niet aan,
ze verheugt zich niet over het onrecht
maar vindt vreugde in de waarheid.
Alles verdraagt ze,
alles hoopt ze,
in alles volhardt ze.
De liefde zal nooit vergaan…”.


Uitgave: Atlas Contact – 2018, 192 blz., ISBN 978 904 503 573 4, € 18,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

zondag 15 april 2018

De erfenis van Adriaan – Johan Lock


“… ‘Alles gaat over seks,’ zei Oscar Wilde, ‘behalve seks zelf, dat draait om macht.’…”

“De erfenis van Adriaan” is een op ware feiten gebaseerd, luchtig geschreven metoo-verhaal, over een pinkstergemeente in Rotterdam waarbinnen de auteur zelf is opgegroeid. En over het alpha-mannetje op de apenrots aldaar: dominant en sociaal bijzonder intelligent. We zijn de laatste tijd doodgegooid met berichten over leiders die in hun almacht denken dat ze zo’n beetje alles kunnen maken. Johan Lock (1962, studeerde Nederlandse taal- en letterkunde) stelt dat de voorganger die hij in zijn boek aan de kaak stelt evengoed van onschatbare waarde had kunnen zijn in een politieke partij dan wel een criminele organisatie. Het is de kerk geworden. Evangelisch-charismatische groepen blijken bijzonder vatbaar voor machtsmisbruik. Zelfs zo erg dat er een speciaal platform in het leven is geroepen om manipulatie binnen christelijke kring te melden: zie hier. Religieuze kopstukken worden vaak gezien als mensen die een speciaal lijntje met God hebben. Wie ben jij dan, als gewone sterveling, om daar wat van te vinden? Niet zelden gaat zo iemand op de stoel van God zitten, of wordt daar door zijn onderdanen op geplaatst, want het is natuurlijk nog altijd een waarheid als een koe wat Arthur Japin in zijn magistrale roman "De overgave" een rondtrekkende baptistische preektijger in de mond legt: “… Ik kan het laten donderen, weet u, als ik wil. Dat is de macht die mensen je geven, alleen doordat ze mij op het spreekgestoelte zetten en zelf gaan zitten luisteren. Je kunt ze met je woorden laten sidderen, maar alleen wanneer zij dat zelf graag willen…”.

Blij, blij, mijn hartje is zo blij

Een opmerking over het al dan niet bestaan van God, door zijn oudste zoon tijdens een vakantie, triggert de schrijver - alias Laurens - terug te blikken op de rol van God in zijn opvoeding. Op een ontroerende manier beschrijft hij zijn ontwakende vadergevoelens na de geboorte van die zoon: “… Toen ik je voor het eerst zag, tussen bloed, slijm en lakens, wist ik dat jouw geluk voortaan belangrijker was dan het mijne. Ik heb het niet over een goed voornemen. Het was een overtuiging die bezit van mij nam. Tegelijk ontwaakte in mijn jonge vaderbrein het besef van de onevenwichtige machtsverhouding tussen ons. Ik kon je beschermen en voeden, ik kon het net zo goed nalaten. Ik kon je uit het raam gooien en een boek gaan lezen. Nog veel meer kon ik. Je opvoeden tot communist, nationalist, egoïst of altruïst. Zeggen dat ons bestaan draait om geld en goed, titels en afkomst of tieten en voetbal. Of om vrienden, verhalen en vertrouwen. Zeggen dat alle anderen schoften zijn. Dat het einde van de wereld nadert. Dat je niet bang hoeft te zijn. Dat alles een groot complot is. Dat je in God moet geloven. Dat je dat niet moet doen. Het drong tot me door, denk ik, wat het betekent om een vader te zijn…”. Ik bedacht wat een voorsprong je als kind hebt wanneer je vader je met dergelijke gedachten verwelkomt op de wereld. Laurens vertelt hoe zijn voorgeslacht opgroeide binnen de kerk en hoe hij zelf met deze trend brak. Over de blijde, veilige pinkstergemeente die zijn familie stichtte, en waar sommige mensen vanaf het allereerste begin zo hun bedenkingen bij hadden, omdat het mysterie van het geloof er wel héél erg werd versimpeld. Maar: “… Heeft Jezus niet gezegd dat we moeten worden als kinderen? Trouwens, over kinderen gesproken: worden die niet al eeuwenlang in die andere kerken de stuipen op het lijf gejaagd met de meest angstwekkende voorstellingen van de Allerhoogste? Een strenge Rechter, die er ijverig op toeziet dat zonden worden gewroken tot in het derde en vierde geslacht? Die misschien al voor je geboorte tot het onomkeerbare besluit is gekomen om je na je dood uit te laten werpen in de buitenste duisternis waar het geween is, en het geknars der tanden?...”. Inderdaad, dat gebeurt soms. Daar ga ik het nog wel een keertje over hebben in een blog over Franca Treur. De pinkstergemeente draait vooralsnog om een ‘blij, blij, mijn hartje is zo blij’ – geloof, waarbij er wordt gesprongen en gedanst tot mensen er bij neervallen. Oók knap vermoeiend, anders. Evenals vroeger bij ons in de kerk de dominee na de Schriftlezing vertelde welke daaruit gelichte Bijbeltekst hij uitgebreid ging behandelen na het zingen van de tussenpsalm, vertelt de schrijver in de proloog alvast waar zijn roman verder over zal uitweiden. “… Ken je die prachtige openingszin van Vladimir Nabokov? ‘Er was eens een man, Albinus genaamd, die in Duitsland woonde, in Berlijn. Hij was rijk, respectabel, gelukkig; op een dag liet hij zijn vrouw in de steek voor een jonge maîtresse; hij had lief; werd niet liefgehad; en zijn leven eindigde rampzalig.’ Waarna Nabokov schrijft dat hij het hierbij zou kunnen laten, ware het niet dat het zo leuk is om er meer over te vertellen…”.

Extase
Het verhaal. Oom Adriaan, een losbol eersteklas, raakt na zijn scheiding, met zijn tweede vrouw via via onder invloed van een Molukse pinksterprediker. Hij sleept zijn beide broers - waaronder de vader van Laurens -, een schoonzus en een neef, plus aanhang mee. Een pinkstergemeente is wel even wat anders dan de gezapige gereformeerde kerk waar ze officieel bij horen. Bijbelstudie, volwassendoop, tongentaal, muziekkabaal, zondebelijdenissen, kringgebed, profetieën, visioenen, handoplegging, vasten, ziekengenezing. Kortom: extase. Terwijl Laurens’ op dat moment nog toekomstige, doorgaans nuchtere en serieuze pa de kazen staat te keren in zijn doodstille kaaspakhuis, schuift er plotseling uit het niets een soort van neonreclame aan Bijbelteksten over de bakstenen muur tegenover hem. Het doet me denken aan het ‘mene mene tekel ufarsin’ van koning Belsazar (Daniel 5). Een verhaal waar onze uitdrukking ‘teken aan de wand’ aan is ontleed. Alleen is de inhoud dit keer heel wat vriendelijker. Alle Bijbelfragmenten gaan over de onmetelijke liefde van Christus. Daar blijft het niet bij. De week daarna moet hij drie keer zijn bestelbus langs de weg zetten omdat hij het gevoel heeft dat er zich zo’n troostende hand op zijn schouder legt dat hij er van moet huilen. Aangeraakt door de Heer. Zuivelhandelaar en mysticus: daar stokt je verstand toch bij? Evenals Jan Siebelink (“Knielen op een bed violen”) verbindt de schrijver geen enkele psychologische verklaring aan het goddelijke gebeuren rond zijn vader. Dat is aan de lezer. Maar waarom zou ik: psychologisch valt álles weg te rationaliseren en íedere hemel dicht te timmeren. Al gauw stuiteren de praatjes over de pinksteravonturen van hun inwoner ‘als biljartballen’ door het gereformeerde Maasland. Het lichaam van Christus is bepaald niet één. De plaatselijke kerk kan niet met pinksteren door één deur. De ouders van de schrijver worden zonder pardon verbannen.

Inner circle
De vijf voornoemde gezinnen sluiten een ‘eeuwig verbond’ als een jongetje uit hun midden wonderbaarlijk geneest, nadat het een doodenge ziekte is opgelopen vanwege een valpartij in smerig water. Er wordt geen dokter geroepen. De papa’s en mama’s vallen op hun knieën. Als de mama’s ‘s avonds laat naar huis gaan omdat er de volgende dag weer kinderen naar school moeten en winkels open gaan, bidden de papa’s de hele nacht door. Des morgens eet het koortsvrije kind argeloos een beschuitje. Zo is de ‘inner circle’ ontstaan van wat ooit de honderden broeders en zusters trekkende pinkstergemeente “De kandelaar” in Rotterdam zal worden – die de schrijver in het boek trouwens “Het huis van Licht” noemt: “… Fanatici waren het, maar aardige fanatici. Heus er zat geen kwaad bij. Hoogstens waren ze, met alles respect, een beetje door het dolle heen…”. Want na een indringend visioen waarin Jezus hem zalft, begint oom Adriaan voor zichzelf en sticht een nieuwe gemeente. Laurens weet niet goed wat hij eigenlijk van de waarlijk wedergeboren kinderen Gods moet denken. Als de profeet en evangelist Harold Camping voorspelt dat de wereld op 2 mei 2011 om exact 18.00 uur Amerikaanse tijd zal vergaan, en het tijdstip zonder ook maar een schijn van apocalyps passeert, is hij vol compassie voor een door een interviewer in het journaal bestookte volgeling: “… De man kijkt hem nadenkend aan. ‘Ik verdien uw hoon,’ zegt hij ernstig. Het vervult me met mededogen, zo’n lieve godzoeker. Ik zou hem willen zeggen dat hij minder belachelijk is dan de rest van de wereld hem wil doen geloven, of zeker niet belachelijker dan de meeste andere mensen, en dat ook God, of Hij nu bestaat of niet, heel veel van hem houdt…”. Echter: “… Een dag later vind ik mezelf veel te mild en verwijt ik die onbekende goedgelovige lulhannes dat hij al die jaren van Bijbelstudie heeft laten passeren zonder zijn kop eens in een emmer koud water te dompelen en zich af te vragen waar hij in godsnaam mee bezig is…”.

Gesmoord in Gods Woord
Naarmate de groep uitbreidt krijgt deze steeds sektarischer trekken. De leden raken wereldvreemd. Verbreken sociale contacten. Houden het nieuws niet meer bij. Controleren elkaar op de millimeter of niemand een schadelijke weg gaat. Oom Adriaan ontpopt zich als een ware potentaat. Eist onvoorwaardelijke gehoorzaamheid. Meesterlijk weet hij allerlei Bijbelteksten naar zijn hand te zetten door ze onbekommerd uit hun verband te rukken: “… We schrijven mee alsof ons leven er van afhangt, want wanneer Adriaan eenmaal ergens een beeld en een tegenbeeld heeft blootgelegd, is hij niet meer te stuiten en laat hij binnen tien minuten een heel spiegelpaleis van met elkaar corresponderende teksten en verhalen verrijzen…”. En even verder: “… Ergens staat geschreven dat Gods Woord is als brood en dat wie daarvan eet nooit meer honger zal hebben. Wel, dat heeft mijn oom ter harte genomen. Dagelijks eet hij ervan. Niet in kleine, met mes en vork zorgvuldig geprepareerde hapjes - nee, bourgondischer, primitiever, bruusk en intuïtief. Simson die een leeuw verscheurt, daar heeft hij meer weg van. Hij pakt de teksten met twee handen beet, teder maar beslist, trekt ze in stukken, zet zijn tanden in een deel, kauwt het fijn, slikt het door, duwt ons ondertussen een ander stuk in de strot, en dat allemaal zonder aarzeling of bedenkingen. Vandaag of morgen stikt er nog eens iemand in. Gesmoord in Gods Woord. ‘Nou ja,’ zou Adriaan zeggen, ‘er zijn slechtere manieren om dood te gaan’…”. Zoals ik al eerder zei: met de Bijbel in de hand kun je álles bewijzen. Volwassen mensen laten hun harten en hersens door oom Adriaan koloniseren. Ouders staan toe dat hij recalcitrante kinderen uit huis stuurt. Kinderen worden gedwongen de band met onverbeterlijke ouders te verbreken. En dan begint het gefuck. Oom Adriaan houdt een pleidooi over aardse en geestelijke zusters aan de hand van het Bijbelverhaal over Lea en Rachel. Een ‘geestelijke’ kus moet kunnen. Maar, zoals een oude dominee uit mijn jeugd ooit van de kansel trompetterde: ‘Het begint geestelijk en het eindigt vleselijk’. Vooralsnog heeft oom Adriaan zijn toehoorders volkomen in de hand. Hij is grof, maakt misplaatste grappen, zegt dingen tegen vrouwen die niet kunnen. Hij komt met zulke gore Bijbelinterpretaties dat ik ze hier niet eens wil aanhalen. Alles wordt gepikt. Oom Adriaan zoekt zijn grenzen op.

Alsof ik in een reservaat leef
Voorlopig is Laurens nog te jong om wat dan ook in de gaten te hebben. Al gaat het hem wel nameloos aan het hart dat de kerk zoveel van zijn tijd opslokt dat hij het voetballen moet laten varen. Een erfenis maakt dat er een pand naast een seksclub kan worden gekocht, waar door de jeugdgroep een koffiebar op poten wordt gezet. Precies daar waar de grootste zondaren rondlopen. Het kan niet mooier. Dat maakt veel goed voor Laurens. Daar ontmoet hij Lotte, zijn toekomstige vrouw, en raakt 'liederlijk' verliefd. Nog later wordt er een oude bioscoop opgekocht en omgebouwd tot kerk. Zonder dat de gemeenteleden daar overigens een stem in hebben, al worden ze wel geacht de hypotheek op te hoesten. Oom Adriaan vraagt niets minder dan alle tijd, geld en talenten van zijn volgelingen. Pas als Laurens gaat studeren, in Utrecht, beseft hij dat hij van de baarmoeder direct het koninkrijk van God in is geschoten. Voor het eerst neemt hij wat afstand van de kerk. Hij vraagt en krijgt drie maanden om ‘de leegte te voelen’. Maar zonder kerk is het ook niet alles en voor hij het weet bevindt hij zich weer in het oude stramien. Het valt hem op dat oom Adriaan, als God zelf, exact de schapen van de bokken weet te scheiden. Onder menig luidruchtig kopje koffie vertelt de laatste wie voor bekeerd door kan gaan en wie buitengesloten moet worden. Verhaal halen is onmogelijk. Vaag beseft Laurens dat de scheidslijn tussen pastorale tucht en moddergooien langzamerhand wel heel dun is geworden. Maar zijn ‘kartonnen ziel’ komt niet in opstand, en oom Adriaan rukt zelfs op naar landelijke bekendheid. Sommige broeders en zusters gaan zich fulltime bezig houden met de kerk. En zo staat oom Adriaan op zijn oude dag tenslotte aan het hoofd van een gemeenschap die veel weg heeft van een buitengewoon succesvol bedrijf. Hij weet zijn business ook deskundig over te laten aan bekwame bedrijfsvoerders en trekt zich terug in de luwte. Toch beginnen er scheuren te ontstaan. Mensen lopen weg, en Laurens weet niet waarom. Bovendien twijfelt hij hoe langer hoe meer aan zijn status als gelovige: “… Voor zover ik al een gelovige ben, geloof ik meer in het Huis van Licht dan in God, begrijp je dat?...”. Dat begrijp ik zeker, dat maak ik zat mee in mijn omgeving: “… Ik geloof in het Huis van licht, Lotte. Ik stik in het Huis van licht…”. Hij zegt dat het is alsof hij ‘in een reservaat’ leeft. Een en ander relateert hij aan de film “The Truman Show”. Toch blijft hij: “… Omdat ik me allemachtig verantwoordelijk voel voor iets waar ik allemachtig graag vanaf wil…”.

Niemand heeft ooit God aanschouwd
Dan hoort Laurens berichten over dat oom Adriaan zich heeft vergrepen aan een vrouw in de gemeente. En blijkt oom Adriaan helemaal geen les te geven aan studenten van een Bijbelschool in Zwolle, zoals hij voorgeeft, maar elke woensdag met een knappe directiesecretaresse in bed te rollen. Ongegeneerd zet hij zijn enorme Chevrolet pontificaal in de Rotterdamse straat waar ze woont. De kans dat hij betrapt wordt schat hij in zijn grootheidswaan waarschijnlijk nul komma nul. Ook nu weet hij zich eruit te lullen: God vergeeft. Laurens’ onzekerheden nemen toe. Zeker als zijn broer de zogeheten ‘Toronto-blessing’ mee naar huis neemt, waarbij de Heilige Geest op een dermate enge manier met gelovigen bezig gaat, dat ze onnatuurlijk beginnen te schateren of lichamelijke beroeringen krijgen die lijken op maagkrampen dan wel epileptische aandoeningen (ooit zag ik daar een vrij schokkende Vara-documentaire over: zie hier). Op een hilarische manier leert Laurens naar zijn innerlijk te luisteren, die volgens ingewijden Gods stem zou zijn. Het paradoxale is dat God zich vervolgens losmaakt van God: “… Ik beland in de eerste brief van Johannes. 'Niemand heeft ooit God aanschouwd; indien wij elkander liefhebben, blijft God in ons en zijn liefde is in ons volmaakt geworden'. ‘Die eerste vijf woorden stellen nota bene God Zelf ter discussie,’ zeg ik tegen Lotte. ‘Niemand heeft Hem ooit gezien, dus waar hebben we het nu helemaal over? Dat is toch grappig, dat zoiets in de Bijbel staat? Ik weet niet of Lotte snapt hoe leuk dit wel niet is. Ikzelf voel me als een jackrussellterriër die zojuist een vos uit zijn hol heeft gejaagd. ‘Er staat eigenlijk: ja, we hebben God nog nooit gezien. Ja, Zijn bestaan is dus meer een veronderstelling dan keiharde zekerheid. Alleen… breek daar nu verder niet je hoofd over, want als we elkaar liefhebben is God in ons.’ ‘In dat geval…’, zegt Lotte. ‘Ho even. Ik denk dus dat het onder gelovigen wat minder over God zou moeten gaan en wat meer over mensen. God is de toegift, zeg maar.’ ‘Nou, als… ’ ‘Sterker: het doet er helemaal niet toe of Hij wel of niet bestaat. Daar komen we toch niet achter.’…”. Lotte verzucht dat ze niet meer weten wie ze zijn.

Ze hield ook van me, op haar eigen zieke manier
Drie jaar na de dood van oom Adriaan gaat er een kerkelijke beerput open. Oom Adriaan blijkt op zijn minst zesentwintig vrouwen te hebben misbruikt. Tijdens een vakantie: “… ‘Bestaat God nog?’ informeert Lotte op de zesde dag. Wij zitten aan de rand van het zwembad. Jullie zijn in het water met een bal in de weer. ‘Natuurlijk’, zeg ik, ‘je moet de groeten hebben.’…”. Exit kerk: “… Daarom huil ik, besef ik. Ik ben afscheid aan het nemen. Alsof ik een onmogelijke liefde net heb verteld dat we elkaar nooit meer zullen zien, omdat er werkelijk niets is dat ons bindt. Ze heeft me verstikt en verward, me mijn levenslust ontnomen, haar standpunten aan mij opgedrongen, me vanaf mijn jongste jaren beschaamd doen staan tegenover mijn vrienden. Het is allemaal waar – alleen, ze hield ook van me, op haar eigen zieke manier, en ik ben van haar gaan houden, en nu we uit elkaar gaan, jankt ze net zo hard als ik…”. Het enige wat mijns inziens overeind blijft in dit meedogenloze maar prachtige boek, is het mystieke gebeuren rond de vader van Laurens. De eerstgenoemde op zijn sterfbed: “… ‘Ooit in mijn leven had ik zo’n geweldige ervaring van Gods liefde,’ brengt hij ons in herinnering, verwijzend naar zijn pakhuiservaring en de weken die daarop volgden. ‘Dat zou ik nog eenmaal opnieuw willen meemaken.’…”. En alsof hij het erbarmen van God op de muren voor zich ziet uitgespeld: “… Ik ben zo blij. Ik ben zo blij…”. Ik dacht aan wat Andre Troost schreef in “Morgen zal het Pasen zijn” (zie mijn vorige blog): “… In 1990, toen de Vrije Universiteit te Amsterdam 110 jaar bestond, kreeg de Leidse hoogleraar H.S. Versnel gelegenheid te vertellen waarom hij niet meer in God geloofde. Later werd zijn rede in het dagblad Trouw gepubliceerd en ontstond in die krant een brede discussie over zijn argumenten. Voor geen enkel bewijs wenst Versnel te zwichten. Met talloze dwaze redeneringen veegt hij de vloer aan. Slechts voor één mogelijkheid houdt hij met eerbied een deur open: voor de mogelijkheid van een persoonlijke reactie op een directe persoonlijke religieuze ervaring. Daarover is, zo schrijft hij, ‘geen discussie mogelijk’…”.

Uitgave: Ambo/Anthos 2017, ISBN 978 902 633 979 0, 384 blz., € 20,00
Rechtstreeks bestellen: klik hier

zaterdag 31 maart 2018

Morgen zal het Pasen zijn – Dr. A.F. Troost


Subtitel: Een rondgang om het waarom van het lijden

“… Our little systems have their day / They have their day and cease to be / They are but broken lights of Thee / And Thou o Lord art more than they…” - Tennyson

Morgen zal het écht Pasen zijn: dus een toepasselijker titel kon ik niet bedenken. Zo’n twintig jaar geleden las ik dit lijdensverhaal voor het eerst. Een tijdje geleden kwam ik het tweedehands tegen, heb het nog een keer gelezen, en was ik weer net zo onder de indruk als toen. Dr. A.F. Troost (1948), een protestantse pastor, maakt aan de hand van het Bijbelboek Job een rondgang langs allerlei christelijke antwoorden die er door de tijd heen zijn gegeven op de vraag naar de zin van het lijden. Hij doet dat op een overrompelend eerlijke manier. Als er iemand recht van spreken heeft is hij dat: de schrijver verloor zelf een dochtertje van vijf. Er ís geen bevredigende verklaring te vinden voor het lijden dat ons overkomt, ook al hebben gelovigen daar altijd naar gezocht. Net zo goed als dat wij, kleine mensjes, God - als Hij al bestaat, en ik ben ongeneeslijk religieus, dus ik geloof dat met heel mijn hart - rationeel niet kunnen bevatten, denk ik. Het goddelijke speelt zich in een andere dimensie af dan dat van ons pietepeuterige verstandje. Wat weten wij nu helemaal?! Theoloog Willem Ouweneel zei ooit: geloof is niet zozeer irrationeel als wel buiten- of boven-rationeel. Dat vind ik mooi gezegd. Het geloof sluit de ratio dan ook niet uit, maar in. Natuurlijk mag je je hoofd breken over de visies waarmee allerlei theologen en filosofen op de proppen zijn gekomen. Misschien brengt het je dichter bij God. André Troost doet een beetje aan Henk Vreekamp (zie hier) denken: hij neemt je eveneens mee op een wandeling over de Veluwe. Het taalgebruik is hier en daar wat ouderwets - het gaat dan ook om een boekje uit de vorige eeuw.

De demonische natuur

Volgens Guido de Brès, auteur van de Nederlandse Geloofsbelijdenis (NGB), kunnen we God kennen uit de Bijbel en uit de natuur. Daar denkt Troost anders over. De schepping een permanente expositie van onze Schepper? “… Wist jij dat graafwespen bij hun eieren een rups of een kever of een spin lévend begraven? Dat doen ze nadat ze die dieren eerst lam hebben gestoken door een paar zenuwknopen kapot te prikken…”. De graafwesplarf moet namelijk fris, levend vlees te eten krijgen. Sluipwespen leggen hun eitjes in wat grotere beesten zodat de larf niet direct aan de vitale delen begint te knagen. Dan gaat de gastheer of -dame te snel dood. Het slachtoffer moet levend en wel worden uitgevreten. En even verder: “… Een sprinkhaan-vrouwtje heeft de kop van het mannetje verorberd en doet zich nu te goed aan het bovenlijf, terwijl zijn onderlijf haar bevrucht…”. Bioloog Midas Dekkers: “… Angst. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Moord en doodslag, ziekten, opvreterij. Er wordt in de natuur duizendmaal zoveel gestorven als er wordt geleefd. Dus al dat hoogdravende geklets over de natuur waar altijd de zon schijnt en de vogeltjes zingen, is onzin. We hebben een volslagen verknipte, kinderlijke kijk op de natuur…”. Aristoteles beweerde al: “… Niet goddelijk, maar demonisch is de natuur…”. Troost vraagt zich af of hij werkelijk moet geloven dat achter al die wreedheid de hand van een goede God schuil gaat. Het argument dat na de zondeval alles anders is geworden vindt hij veel te kort door de bocht. Zouden Adam en Eva, toen ze door het paradijs liepen, nooit eens op een torretje of een kevertje hebben getrapt? Hij gelooft er niets van dat roofdieren in het paradijs alleen maar bloempjes en grassprietjes aten. Kijk naar het antwoord dat God aan Job geeft in de storm: “… Kunt gij een prooi jagen voor de leeuwin en de begeerte der jonge leeuwen vervullen, wanneer ze wegduiken in hun holen, in het struikgewas op de loer liggen?...” en “… Gaat op een bevel van jou de gier de lucht in, om hoog daarboven zijn nest te bouwen, zich in de rotsen te vestigen en er de nacht door te brengen; op rotspunten heeft hij zijn nest. Van daaruit speurt hij naar voedsel. Van ver af loeren zijn ogen rond; zijn jongen slurpen bloed, en als er ergens gesneuvelden liggen is hij present…”. Hier komt God toch welzeker over als ook de Schepper van roofdieren.

Not we, but he / ate of the tree
Ook al zou door de ongehoorzaamheid van Adam en Eva alle ellende de wereld in zijn gekomen, is dan de straf niet veel en veel te hoog (“… Not we, but he / ate of the tree…” – The Day of Doom, Michael Wigglesworth 1662)? Is het lijden niet hartstikke onredelijk verdeeld? Als God de zonde straft, waarom straft Hij dan zo vaak onschuldigen? Waarom moeten kinderen lijden? En hoeveel lijden is genoeg – is daar een maat voor? Als God alles heeft voorbeschikt moet God dan worden voorgesteld als een Groot Organisator van Ongelukken? Waarom heeft de Architect van de wereld niet gelijk gezorgd voor een betere constructie? W.F. Hermans in “Nooit meer slapen”: “… Ether bestond al driehonderd jaar, voor iemand de narcose ontdekte. Had God vergeten in de Bijbel te openbaren…”. Rudolf Bierman over zijn verblijf in het concentratiekamp Natzweiler: “… De bewakers van het kamp waren sadisten: tijdens kerstmis 1943 hadden de Duitsers een grote kerstboom neergezet. We moesten allemaal op appel komen. Onder het zingen van kerstliederen hingen de bewakers mensen op in de kerstboom. Toen heb ik mijn geloof verloren. Ik ben christelijk opgevoed, maar in een God die dit alles toeliet, kon ik niet meer geloven…”. Hoe vaak is er geen sprake geweest van onrecht dat notabene in Gods naam werd gedaan? “… Neem nu Filips II. Die presteerde het om uit pure dankbaarheid aan God voor zijn behouden thuiskomst na een zeereis in 1559 een groot aantal ‘ketters’ te laten verbranden!...”. Jeroen Brouwers in een interview: “… Mijn echte trauma is niet het Jappenkamp, maar die kostschooljaren. Toen is er voorgoed iets in mij kapotgemaakt. Katholieke dril: de opvoeding op die scholen bestond uit knechting en morele terreur. Je sliep op grote zalen, zonder enige privacy. En dan die nadruk op kuisheid. Ik ken geen ander geloof dat zo geobsedeerd is door seks. Al die broeders en paters waren ingesnoerde mensen, niet gericht op ontplooiing. Kostschool is een kanker, het ettert in mij voort en is niet weg te branden. Als ik van mijn tiende tot mijn zestiende jaar thuis had gewoond, wat toch had gekund, want zo’n kreng van een jongen was ik niet, dan was ik nu een harmonische persoonlijkheid geweest. Nee, géén schrijver. Maar liever een harmonisch mens dan een schrijver. Ik wil al mijn boeken geven voor een gelukkig bestaan als klerk op het postkantoor van Purmerend…”. Wat is de oorsprong van het kwaad? En waarom zorgt God er niet voor dat het verdwijnt? Zit God achter alle lichamelijke en geestelijke pijn?

Dus zó is God
Troost vertelt over de oplossing die de Gnosis bedacht (een soort New Age-geloof in de eerste eeuwen van onze jaartelling): de wereld zou geschapen zijn door een boosaardige demiurg - de maker van de materie. “… Het lijkt wel erg aanlokkelijk om te zeggen dat het kwaad bij een andere, lagere god vandaan komt, maar je blijft dan natuurlijk wel zitten met de vraag waar die andere god vandaan komt…”. Over de idee dat Satan achter het kwaad zit: “… Dan praat ik weliswaar niet over een lagere god, maar wel over een zwarte engel die blijkbaar behoorlijk vrij is om zijn gang te gaan. En dan komt direct toch ook weer de vraag boven hoe het mogelijk is dat de goede God die duivel een kans geeft om zoveel onheil aan te richten in zijn schepping…”. Mary Baker Eddy (1821-1910, Amerika), de stichter van ‘Christian Science’, meende dat alle ellende pure inbeelding was, veroorzaakt door vrees: “… In de eerste plaats is het allemaal toch wel heel jammer voor al die mensen die blijkbaar niet in staat zijn om zich gezond te dénken…”. Er zijn gelovigen die beweren dat het lijden een beproeving van God is: “… Maar moet ik nu echt geloven dat God er zulke testprogramma’s op na houdt?...”. Even verder: “… En dat God Abraham beproefde mag waar zijn, maar als je dat prachtige verhaal zet in de lijst van die tijd, dan ontdek je al gauw wat er achter die beproeving zat: in een wereld waarin allerhande natuurreligies vereisten dat mensen hun kinderen als offers aan de goden zouden brengen, wil dit verhaal Israël juist duidelijk maken dat de Eeuwig Trouwe zo níet is! De God van Israël is anders dan de goden van de omringende volken…”. Troost vertelt over een kerk in Zwitserland die nogal werd beschadigd door de bliksem: “… Er werd een inzameling georganiseerd om de reparatie te bekostigen. Iedereen deed een flinke duit in de zak – behalve één boer, die weigerde mee te doen en de organisatoren vroeg: ‘Wilt u dat ik Hem betaal voor het beschadigen van zijn eigen huis?’…”. Er zijn christenen die vulkaanuitbarstingen en orkanen verklaren als het werk van God dan wel Satan: “… Maar wat is dan de zin van aardbevingen en overstromingen in gebieden waarin helemaal geen mens woont?...”. C.S. Lewis na de dood van zijn vrouw: “… Niet dat ik (geloof ik) veel gevaar loop mijn geloof kwijt te raken. Het gevaar is meer dat ik zulke vreselijke dingen over God ga denken. Ik ben niet zozeer bang voor de conclusie ‘dus er is geen God’, maar eerder voor ‘dus zó is God’. Bedrieg jezelf niet langer…”. Hoe kan een liefdevolle Vader het kwaad dulden? György Konrád: “… Van mijn tweehonderd schoolgenoten zijn er honderddrieënnegentig vergast. Het is een vreemde gedachte dat de Vader daarin de hand moet hebben gehad. Als Hij daar niet de hand in heeft gehad, waarin dan wel?...”. Zelfs de grote Pascal zei: “… Ik zie te veel bewijzen om te ontkennen dat God bestaat en te weinig bewijzen om helemaal zeker te zijn…”.

Luisteren
Om mensen bij te staan in hun verdriet moet je in de eerste plaats kunnen luisteren, volgens Troost: “… In een ziekenhuis in Nieuw Zeeland lopen vrijwilligsters rond met een button. Op die button staat de naam van de vrijwilligster en daaronder: Luisteraar…”. Terwijl hij over de Veluwe wandelt is hij zogenaamd in gesprek met Job: “… Je kunt over je vrienden zeggen wat je wilt, Job, maar één ding zul je moeten toegeven: ze hadden tenminste het fatsoen om een week lang hun mond te houden – en je zou willen dat tegenwoordige pastors zo lang zwijgen konden!...”. Toen Job was uitgesproken vroeg zijn vriend Elifaz zelfs ook nog beleefd: “… Zou het u verdrieten, wanneer men beproeft een woord tot u te spreken?...”. Cornelis Verhoeven over troost: “… Troost is niet de ontkenning, maar juist de bevestiging van het verdriet…”. Troost gaat diep in op de leer van Calvijn en andere vroede vaderen over Gods voorzienigheid. Is het aardse bestaan een uitdraai uit de hemelse computer? “… Al je kinderen dood – Gods wil? Je huwelijk kapot – Gods wil? Je dochter, een hoer, je zoon, een moordenaar – en dan geloven dat niets, ook dat niet, gebeurt zonder dat God het heeft gewild? …”. Het doet hem te veel aan de Islam denken en de volstrekte onderwerping van mensen aan de wil van Allah. Als alles in het leven de wil van God is, kun je natuurlijk de gekste dingen gaan doen (dat is ook wel gebeurd). Hoe zit het dan met alle teksten in de Bijbel die spreken over het berouw dat God krijgt in verband met zijn plannen? Troost wijst op het rumoer en de oproer in de Psalmen waarin vaak absoluut geen sprake is van berusting. En wat te denken van Jezus, die de bezetenen verloste, de zieken genas en doden opwekte? Hij was toch wel de laatste die zich neerlegde bij de wereld zoals die was. Als het kwaad een soort noodzakelijk doorgangsstadium is naar een betere wereld, zoals sommigen beweren, dan kun je toch eigenlijk nauwelijks meer over begrippen als ‘zonde’ en ‘schuld’ spreken? En passant komen de wisselende godsbeelden van denkers als Abelardus, Goethe, Leibniz, Alfred N. Whitehead, Jürgen Moltmann, E. Schillebeeckx, J.W. Schulte Nordholt, Dietrich Bonhoeffer, Pierre Teilhard de Chardin, Dorothee Sölle, H. Berkhof, F.O. van Gennep, A.A. van Ruler, A. van de Beek en Harry Kuitert voorbij, die allemaal indringend over het kwaad hebben gesproken. Is God wel almachtig? Lijdt God met ons mee? Getuigen Verdun, Auschwitz, Hiroshima en Soweto niet veeleer van Zijn nederlagen? Is God een God-op-weg, zijn alle dingen dynamisch, in wording? Mag God ons veroordelen, als Hijzelf geen hand uitsteekt? Troost: “… Al die oude en moderne visies op God, al die antwoorden op de vraag naar het lijden die in de loop der eeuwen in en rond de kerk gegeven zijn, blijken keer op keer hooguit fragmenten van een antwoord te zijn, respectabele stukjes van een puzzel die maar niet echt helemaal compleet gelegd lijkt te kunnen worden…”.

Tandeloze tijger
Hoezeer Job zich ook door God in de steek gelaten voelt, toch houdt hij zich aan Hem vast. Job geeft één grote raad: berust niet en nooit. Troost: “… Soms denk ik weleens: de weg naar Pasen heet ‘Laan der opstandigheid’…”. Troost kan absoluut niet uit de voeten met Kushner die in zijn bestseller “Als ’t kwaad goede mensen treft” beweert dat God wel goed, maar niet almachtig is. Wat heb je aan zo’n God? “… Jazeker, rituelen en godsdienstige tradities kunnen troosten, maar dat kan mijn vriendelijke buurvrouw ook…”. Hij haalt Okke Jager aan die ooit schreef: “… Als wij om zijn goedheid te redden zijn almacht schrappen, houden we een ‘halve’ God over. Dan is het altijd nog redelijker helemaal niet in God te geloven…”. Harry Kuitert: “… Je moet kiezen of delen. Of je houdt God over en je zit met het enorme probleem van het kwaad of je denkt dat het kwaad niets met God te maken heeft, maar dan heeft Hij nergens de hand in en wat wil je dan nog?...”. Wat heb je aan een God die het ook allemaal niet helpen kan? Kuitert over God als een ‘tandeloze tijger’: “… Wij hebben God zo uitgetekend dat Hij bij wijze van spreken uit onze hand eet, of er gewoon is om onze grote mensenwensen te vervullen. Ik geloof daar zo langzamerhand niets meer van. Daarom beleven mensen weinig meer aan God. Hij is geen verrukking meer, maar ook geen verbijstering…”. Job krijgt geen logisch antwoord. Wie is hij, klein mensenkind, om het beleid van de Almachtige na te rekenen? En dan legt Job zijn hand op zijn mond. Er wordt niets opgelost. Het Godsgeheim blijft. Jobs inwijdingsweg is een weg van ootmoed, van eerbiedig zwijgen tegenover de Schepper, die zelfs in zijn openbaring de Verborgene blijft, en uiteindelijk de geleden schade dubbel vergoedt.

Een begrepen God is geen God
Troost: “… Ik ben er diep van overtuigd dat ons denken over God zo beperkt is, dat wij nauwelijks kunnen bevroeden waarom de dingen gaan zoals ze gaan…”. Met Bijbelteksten kun je álles bewijzen: “… Ik kan stellen: het kwaad komt bij God vandaan, zie Amos 3:6 – ‘Geschiedt er een ramp in de stad, zonder dat de Here die bewerkt?’ Ik kan stellen: het kwaad komt níet bij God vandaan, zie 1 Johannes 1:5 – ‘God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis.’ Maar ogenblikkelijk is er dan weer iemand die zegt: Ja, maar, in Jesaja 46:7 staat toch maar dat God zowel licht als duisternis schept zowel heil als onheil…”. De Bijbelschrijvers weten in elk geval: het lijden gaat niet buiten God om. “… Je kunt eindeloze discussies opzetten over de oorsprong van het kwaad en een waterdichte scheiding aanbrengen tussen een goede God en een kwade duivel, maar ik denk dat Luther gelijk had toen hij zei: ‘Der Teufel ist doch Gottes Teufel.’…”. Volgens Chesterton zijn de raadselen van God altijd nog bevredigender dan de oplossingen van mensen. Je kunt niet ‘bewijzen’ dat God bestaat en dat zijn handelen goed is. Willem Barnard: “… Ik ken geen denksysteem dat de klitten waarin de wereld verward zit, weet te verhelderen en te ontrafelen tot ze gekamd kunnen worden, alles soepel op zijn plaats…”. We kijken in een spiegel, in raadselen… En misschien is dat maar goed ook. Wie zijn wij om uit te maken of het kwaad al dan niet zinloos is? Een begrepen God is geen God. Troost gaat nog even door op het woord ‘scheppen’, dat ook ‘scheiden’ zou kunnen betekenen: “… Dan zou scheppen ‘bevrijden’ zijn, ‘tot het licht geleiden’…”. Hij zegt niet in de Bijbel maar in Jezus Christus te geloven, en dat is een kwestie van kiezen, zoals C.S. Lewis beweerde: “… Jezus is óf een volledig gestoorde óf God zelf. Geen enkele ‘godsdienststichter’ had de pretenties die Jezus had. ‘Niemand komt tot de Vader dan door Mij’. Dat is nogal wat! Maar wat mij betreft, ik zeg: Credo. Cor do, ik geef mijn hart. Ik geloof dat in Jezus Christus de diepste bedoelingen met de wereld openbaar worden. Zoals Jezus schapen en bokken scheidt, de zachtmoedigen zalig spreekt en de onbarmhartigen onzalig verklaart, zó is God. Scheidend trekt Hij door de geschiedenis…”.

Getrooste vertwijfeling
“… Geloof is getrooste vertwijfeling…”, aldus Luther. Het volgende fragment deed me onmiddellijk aan de oudejaarsconference 2017 van Youp van ’t Hek denken: “… Het moet maar eens afgelopen zijn met al dat hoongelach zodra het christelijk geloof ter sprake komt! Waar vind je in de wereld zo’n enorme stimulans te blijven hopen en liefhebben dan juist in het evangelie? Gaat het in de wereld die van Christus niet wil weten soms zoveel beter?...”. F.O. van Gennep: “… Waar de hoop ons ontglipt, dreigen zwaarlijvigheid, terreur en obsceniteit ons te verstikken…”. Bonhoeffer: “… Ik geloof dat God uit alles, ook uit het slechtste, iets goeds kan en wil laten ontstaan. Hiervoor heeft Hij mensen nodig die met alles hun voordeel doen. Ik geloof dat God ons in iedere moeilijke situatie zoveel weerstandsvermogen geeft als we nodig hebben. Maar hij geeft het niet vooraf, opdat wij niet op onszelf maar op Hem vertrouwen. Dit geloof zou alle angst voor de toekomst moeten overwinnen. Ik geloof dat ook onze fouten en vergissingen zin hebben en dat het voor God niet moeilijker is deze te gebruiken dan de daden waarvan wij denken dat ze goed zijn. Ik geloof dat God geen noodlot is buiten de tijd maar dat Hij wacht op eerlijk bidden en verantwoord handelen en hierop antwoord geeft…”. Troost eindigt met wat er uiteindelijk overblijft: mystieke trots. “… In 1990, toen de Vrije Universiteit te Amsterdam 110 jaar bestond, kreeg de Leidse hoogleraar H.S. Versnel gelegenheid te vertellen waarom hij niet meer in God geloofde. Later werd zijn rede in het dagblad Trouw gepubliceerd en ontstond in die krant een brede discussie over zijn argumenten. Voor geen enkel bewijs wenst Versnel te zwichten. Met talloze dwaze redeneringen veegt hij de vloer aan. Slechts voor één mogelijkheid houdt hij met eerbied een deur open: voor de mogelijkheid van een persoonlijke reactie op een directe persoonlijke religieuze ervaring. Daarover is, zo schrijft hij, ‘geen discussie mogelijk’…”. Daar ga ik diep voor door mijn knieën. Ik heb vaker gesteld dat het mij bijna onmogelijk lijkt in God te geloven als je nooit wat van Hem merkt (zie bijvoorbeeld “De geschiedenis van mijn leven” van George Sand en “De dag dat ik Jezus ontmoette” van Charlotte Røth). Dat maakt alles anders. Zie het prachtige verhaal over een rabbi van Elie Wiesel uit “De poorten van het woud”: “… Na de Holocaust klopt een jood bij hem aan: ‘Hoe kunt u in God geloven na alles wat er met ons is gebeurd?’ De rabbi antwoordt: ‘Hoe kun je niet in God geloven na alles wat er met ons is gebeurd?’…”.
Morgen zal het Pasen zijn.

Uitgave: Boekencentrum – 1993, 199 blz., ISBN 978 902 391 567 6, € 16,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier