Menu

donderdag 18 mei 2017

Franny en Zooey – J.D. Salinger


Emmanuel Carrère heeft het in “Het Koninkrijk” - zie mijn vorige blog - over “Franny en Zooey” (1961), een boek van één van de belangrijkste moderne Amerikaanse prozaschrijvers: J.D. Salinger (New York 1919 – New Hampshire 2010). Ik kende de laatste alleen van zijn controversiële roman "De vanger in het graan" (1951). De onwaarschijnlijk mooie verhalenbundel “Franny en Zooey” gaat over een sexy, neurotisch meisje dat aan de haal gaat met een tekst van Paulus uit de eerste brief aan de Thessalonicenzen, die omstreeks het jaar 50 van onze tijdrekening in de verre gemeenten van Macedonië of Anatolië voor het eerst letterlijk werd opgevat: “… Bid zonder ophouden…”.

Hartsgebed

Carrère: “… Er bestaat een Russisch boekje uit eind negentiende eeuw dat "De ware verhalen van een Russische pelgrim" heet. Ik heb het in mijn christelijke periode gelezen en herlezen. En soms herlees ik het nog. De verteller is een arme moezjiek die amper kan lezen, een te korte arm heeft en op een goede dag in de kerk de priester de volgende zin hoort voorlezen, die Paulus heeft gezegd: ‘Bid zonder ophouden.’ Die zin nagelt hem aan de grond. Hij beseft dat dit méér dan belangrijk is, het is wezenlijk. Meer dan wezenlijk, vitaal. Het is het enige wat telt. Maar hij vraagt zich af: hoe kun je zonder ophouden bidden? En dus gaat de kleine moezjiek op pad over de Russische wegen, op zoek naar mensen die geleerder en vromer zijn dan hij en die kunnen uitleggen hoe hij dat moet aanpakken. "De ware verhalen van een Russische pelgrim" is een prachtig gevulgariseerde voorstelling van een mystieke stroming die al vijftien eeuwen in de orthodoxe kerk leeft en door de theologen hesychasme wordt genoemd, het zogenoemde ‘hartsgebed’. Het verhaal heeft een verrassende moderne nakomeling: ‘Franny en Zooey’…”. Vervolgens vertelt hij hoe de twintigjarige Franny, die kotst van het onechte, hypocriete universiteitsleven, op haar beurt in de New Yorkse bohemienwereld op dit anonieme Russische boekje stuit, en tot grote ontzetting van haar familie van s’ ochtends vroeg tot s’ avonds laat ‘Heer Jezus Christus, ontferm U over mij’ begint te prevelen. Haar broer Zooey, een pretentieuze, geniale acteur, probeert haar van die bevlieging af te helpen. Tegelijk staat hij er verregaand achter. Er bevond zich nog een exemplaar van “Franny en Zooey” in het magazijn van de bibliotheek waar ik lid van ben. Wat mij opviel is dat je het moeilijk een christelijk boek kunt noemen: de vloeken knetteren van de bladzijden. Was dat hip in de jaren zestig? Ik heb de indruk dat er tegenwoordig heel wat minder gevloekt wordt in literatuur. Het wordt niet meer gezien als gewaagd, eerder als plat en dom, passend bij blèrende tokkies dan wel achterlijke boerenkinkels. En dat is winst wat mij betreft, want ik struikel echt niet over een vloek in verband met woede, onmacht of agressie, maar als personages geen regel kunnen uiten zónder, dan vind ik dat dermate storend, zo niet stuitend, dat ik daarom een boek geneigd ben dicht te klappen. En toch…

Ziek van alles en iedereen
Het eerste verhaal gaat over Franny. Hoe vervelend en hooghartig de haar omringende studentjes wel niet zijn wordt meteen duidelijk als een stuk of twintig elitaire jongens op een station op hun meisjes staan te wachten, waaronder haar vrijer Lane. Ze “… praatten vrijwel zonder uitzondering op een in het universitaire milieu passende, dogmatische toon, alsof elk van hen op zijn schelspraakzame beurt voor eens en altijd afrekende met een of andere controversiële kwestie, die de niet-studerende buitenwereld al eeuwenlang, al dan niet op ergerlijke wijze, bezig was geweest te verknoeien…”. Als de trein eindelijk aankomt lopen de jongens de wachtkamer uit, “… de meesten met het air van mannen die minstens drie brandende sigaretten in iedere hand hadden…”. Lane probeert, net als de rest, “… zijn gezicht te ontdoen van alle sporen die heel eenvoudig, misschien wel heel mooi, zouden kunnen verraden wat hij dacht over degene die zou arriveren…”. Franny is niet iemand voor neutrale gezichten, ze groet opgewekt en kust hem: “… Het was een perronkus – aanvankelijk heel spontaan, maar nogal geremd in de voortzetting en met een zeker aspect van botsende voorhoofden…”. Ze steekt een arm door de zijne en legt beslag op het grootste deel van de conversatie, zo niet de hele conversatie. Hij zegt dat hij een kamer voor haar heeft geregeld in een pension waarvan ze direct vermoedt dat ze die met een stel anderen zal moeten delen. Ze lijkt het vooral te ervaren als ergens gedumpt worden zonder dat ze daar iets over te zeggen heeft: “… Soms was het verschrikkelijk om je gebrek aan geduld met de tekortkomingen van het mannelijk deel van de schepping in het algemeen, en die van Lane in het bijzonder te moeten verbergen…”. Ze zegt tegen hem dat ze hem gemist heeft, terwijl ze er zich tegelijkertijd van bewust is dat ze daar niets van meent. Als ze in een restaurant zijn beland kan ze zijn snobistische uiteenzetting over een artikel dat hij wil publiceren niet aanhoren en zegt dat hij precies lijkt op de professorale medewerkers bij haar op de universiteit, die voortdurend bezig zijn iedere grote schrijver af te zeiken en zo alles voor iedereen te verpesten. Ja, die zelfs “… zo briljant zijn dat ze nauwelijks hun mond open kunnen doen…”. Als Lane verbaasd vraagt wat haar mankeert zegt ze dat ze zich de hele week al verschrikkelijk ‘destructief’ voelt. “… Lane bekeek haar een paar tellen met groeiende ergernis. Het was heel goed mogelijk dat hij aanstoot nam aan, en bang was voor ieder teken van zelfstandigheid dat zijn vaste vriendinnetje vertoonde. In ieder geval maakte hij zich ernstig zorgen over de mogelijkheid dat Franny’s verkeerde been het hele weekend de vernieling in zou helpen…”. Het gaat van kwaad tot erger. Ze zegt dat ze wil stoppen met haar studie, dat de dichters die ze kent wel aardig zijn maar waardeloze troep afscheiden, dat er niemand is die ze kan respecteren. Ze begint te transpireren, eet niets, rookt als een ketter, en verdwijnt wit als een doek naar de wc om een onbedaarlijk potje te janken – Lane geïrriteerd, en voor de omstanders zogenaamd verveeld, achterlatend. Min of meer opgelucht komt ze terug bij Lane, maar gaat direct door zitten somberen. Dat alles wat iedereen doet hetzelfde is, en onbeduidend, en zinloos, en dat haar dat verdrietig maakt. Dat ze alle ego’s om zich heen spuugzat is. Dat iedereen die zichzelf interessant vindt walgelijk is. Dat ze een absolute ‘niemand’ zou willen zijn, en er ziek van wordt dat ze dat niet durft. En dat ze gelooft dat ze gek wordt of dat ondertussen misschien al is.

God zien
Dan komt, terwijl ze naar een zakdoek zoekt, het boekje over de Russische pelgrim uit haar tas, en begint ze Lane enthousiast te vertellen over het Jezusgebed. Ze heeft het over het mystieke effect dat het heeft op je leven: “… Ik bedoel, dat is min of meer het hele punt. Ik bedoel je doet het om je hele kijk op het leven te zuiveren en je krijgt een volkomen nieuw idee over waar het allemaal om gaat…”. Franny: “… Maar wat het is, wat zo prachtig is, is dat je aan het begin niet eens hoeft te geloven in wat je doet. Ik bedoel zelfs als je het allemaal ontzettend gênant vindt geeft dat niets. Ik bedoel je beledigt er helemaal niets of niemand mee. Met andere woorden niemand verlangt van je dat je ook maar iets gelooft als je pas begint. Je hoeft niet eens na te denken over wat je zegt, vertelde de starets. Het enige waar het in het begin om gaat is kwantiteit. En dan, later, gaat dat vanzelf over in kwaliteit. Op eigen kracht of zoiets. Hij zegt dat elke naam van God – het geeft niet welke – van zichzelf die eigenaardige, zelf-werkzame kracht heeft en begint te werken nadat je als het ware een beginnetje hebt gemaakt…”. Even verder: “… En eigenlijk klopt het ook precies. (…) Want in de Nemboetsoe-sekten binnen het boeddhisme herhalen de mensen voortdurend de woorden: ‘Namoe Amida Boetsoe’ – wat betekent: ‘Geprezen zij de Boeddha’, of iets dergelijks – en daar gebeurt precies hetzelfde. Precies - (…) Hetzelfde gebeurt ook in ‘The Cloud of Unknowing’. Alleen met het woord ‘God’. Ik bedoel je zegt alleen maar de hele tijd het woord ‘God’…”. Tussen haakjes: Salinger had zelf een grote interesse voor het zenboeddhisme. Franny zegt dat het haar fascineert: “… Ik vind alleen dat het een ontzettend eigenaardige samenloop van omstandigheden is (…) dat je steeds weer hetzelfde advies tegenkomt – ik bedoel al die ver ontwikkelde en honderd procent echte religieuze figuren die je telkens weer vertellen dat er, als je de naam van God steeds maar blijft herhalen, iets gebeurt. Zelfs in India. In India zeggen ze dat je moet mediteren over het ‘Om’, wat eigenlijk op hetzelfde neerkomt, en dat moet precies hetzelfde resultaat hebben. Dus ik bedoel je kan het niet gewoon maar wegrationaliseren zonder zelfs - …”. Lane vraagt wat het resultaat is van al die synchronisatie en abracadabra. “… Je gaat God zien. Er gebeurt iets in een of ander volstrekt niet-fysiek deel van je hart – volgens de Hindoes de verblijfplaats van de Atman, als je ooit wel eens godsdienst hebt gedaan – en je ziet God, dat is alles. (…) En nu moet je niet vragen wie of wat God is. Ik bedoel, ik weet niet eens of Hij wel bestaat. Toen ik klein was dacht ik altijd - …”. Dan staan Franny en Lane op om weg te gaan en valt Franny flauw. Het enige waar Lane zich druk om maakt is of hij die nacht wel aan zijn trekken komt. Hij dwingt haar rust te nemen: “… Misschien kan ik dan na een tijdje, als je een beetje behoorlijk uitgerust bent, op een of andere manier naar boven komen. Ik geloof dat er ergens een achtertrap is in dat krot. Ik kom er wel achter…” (let wel: het is anno 1955). Of ze wel weet hoe lang het geleden is dat ze wat met elkaar hebben gedaan: “… Dat kan niet zo. Het begint godbetert wel op geheelonthouding te lijken…”. Franny kijkt, alleen achtergebleven, volkomen stil naar het plafond. “… Haar lippen begonnen te bewegen, volkomen geluidloze woorden, en bleven bewegen…”. Is ze zwanger?

It’s a wise child
Het tweede, veel langere verhaal, gaat over Zooey Glass, de bijdehante en goedgebekte broer van Franny, een onthutsend mooie televisieacteur van vijfentwintig, die in bad een vier jaar oude brief zit te lezen. De schrijver begint met een inleiding waarin hij zichzelf introduceert en zegt een soort zestien-millimeter prozafilm te schrijven. Franny en Zooey blijken de twee jongsten uit een upper class gezin in Manhattan te zijn, oorspronkelijk bestaand uit zeven wonderkinderen: “… die in hun jeugd allemaal met nogal gunstig uitkomende tussenpozen regelmatig op de radio te horen waren geweest in een kinderquiz waarvan de titel ‘It’s A Wise Child’ luidde…”. Alle zeven kinderen (die om de beurt in alle andere verhalen van Salinger functioneren zodat hij met zijn oeuvre eigenlijk een geheel eigen wereldje heeft geschapen) waren erin geslaagd: “… tijdens de uitzendingen een ontzagwekkend aantal afwisselend dodelijk-geleerde en dodelijk-schattige vragen – door de luisteraars ingestuurd – te beantwoorden met een onbedorvenheid, een aplomb dat beschouwd werd als uniek voor de commerciële radio. De reacties op de kinderen waren dikwijls verhit maar nooit lauw. Over het algemeen konden de luisteraars ingedeeld worden in twee halsstarrige kampen; degenen die beweerden dat de kinderen Glass een stel onuitstaanbaar ‘knappe’ terpetijnpissertjes waren die bij hun geboorte verdronken of vergast hadden moeten worden, en degenen die beweerden dat het hier ging om persoontjes die over een ongebruikelijke, zij het niet benijdenswaardige dosis gevatheid en verstand beschikten…”. Hun moeder, consequent aangeduid als ‘Bessy’, wil de badkamer in om wat weg te leggen in het medicijnkastje. Zooey trekt het aartslelijke douchegordijn dicht en roept dat ze binnen kan komen. De omschrijving van Bessy doet denken aan Ma Flodder: “… Ze droeg haar gebruikelijke huiskostuum – dat haar zoon Buddy (een schrijver en dus, zoals niemand minder dan Kafka ons vertelt, geen aardig iemand) haar pre-bericht-van-overlijden-uniform noemde. Het bestond uit een in de dienst vergrijsde, nachtblauwe kimono. Ze droeg deze vrijwel onveranderlijk overdag in de hele flat. Hij fungeerde, met zijn vele, enigszins occult-uitziende-plooien, tevens als opslagplaats voor de parafernalia van een zeer zware kettingrookster en een doe-het-zelfster; op de heupen waren twee buitenmodel zakken aangebracht en die bevatten doorgaans twee of drie pakjes sigaretten, verscheidene mapjes lucifers, een schroevendraaier, een klauwhamer, een padvindersmes dat vroeger van een van haar zoons was geweest en een stuk of wat geëmailleerde krukken van kranen, plus een assortiment schroeven, spijkers, scharnieren en zwenkwieltjes met kogellagers – en al deze dingen hadden de neiging mevrouw Glass zachtjes te doen rinkelen als ze door haar grote flat liep…”. Bessy wil dat Zooey met Franny gaat praten die al achtenveertig uur lang op de bank in zichzelf ligt te mompelen en tranen met tuiten huilt. Ze maakt zich zorgen en aan hun vader heeft ze ook al niets; die heeft verdorie alleen maar gevraagd of ze dacht dat Franny misschien opgevrolijkt kon worden met een mandarijntje! Moet ze een psychiater bellen? Zooey: “… Ga je gang maar. Bel maar gewoon een of andere psychiater die getraind is in het aanpassen van mensen aan de geneugten van de televisie en van Life iedere woensdag en reizen naar Europa en de waterstofbom en de presidentsverkiezingen en de voorpagina van de Times en de taken van de oudercommissie in Westport en Oyster Bay en god weet wat er verder nog allemaal blaakt van normaalheid – ga je gang maar en ik kan je garanderen dat Franny binnen een jaar of in een gekkenhuis zit of met een brandend kruis in haar handen de een of andere godverlaten woestijn in loopt…”. Bessie denkt dat Franny over haar toeren is geraakt door het fanatiek religieuze boekje dat ze overal mee naar toe sleept. Zooey denkt dat de oorzaak Lane is, die hij bestempelt als een eerste klas klootzak.

Freaks
Wat blijkt? Hun oudste broers hebben bij wijze van experiment Franny en Zooey allerlei spirituele literatuur laten lezen voor ze wetenschappelijk gevormd werden. Zodat ze eerst geestelijk het licht zouden zien. Dat heeft ‘freaks’ van hen gemaakt met Wise-Child-complexen, aldus Zooey: “… Ik kan niet eens meer met iemand gaan lunchen en mijn bijdrage leveren aan een normale conversatie. Of ik raak zo verveeld, of ik begin zo te preken dat als die stomme kaffer nog een beetje verstand had hij zijn stoel op mijn kop in elkaar zou rammen…”. Hij meent dat als hij zich in een kamer bevindt met iemand die beschikt over het gebruikelijke aantal oren, hij verandert “… in een godverlaten ziener of in een menselijke hoedenpen. De Koning der Zeurpieten…”. En Franny natuurlijk idem dito. Ze zal later zeggen dat het een wonder is dat Lane haar vanwege al haar gekat niet overhoop heeft geschoten. Zooey vertelt zijn moeder dat hij niet meer aan tafel kan gaan zonder de Vier Grote Eden in zichzelf op te zeggen, zo is dat er ingestampd. De vier wat? De Vier Grote Eden: “… Hoe ontelbaar de levende wezens ook zijn, ik zweer dat ik ze zal redden; hoe onuitputtelijk de lusten ook zijn, ik zweer dat ik ze zal onderdrukken; hoe onmetelijk de Dharma’s ook zijn, ik zweer dat ik ze meester zal worden; hoe onvergelijkelijk de waarheid van de Boeddha ook is, ik zweer dat ik haar zal verwerven…”. Ook hij legt uit wat het boekje over de pelgrim behelst. Treiterig zegt hij tegen Franny als hij naar de bank loopt: “… Ah. De lippen van mevrouw bewegen. Het gebed stijgt op…”. Als Franny beargumenteert dat het op de universiteit alleen maar om kennis gaat en niet om wijsheid, en dat kennis gelijk staat aan rijkdom, oreert Zooey op sublieme wijze dat haar manier van omgaan met het Jezusgebed ook alleen maar bedoelt is om immateriële rijkdom te verwerven. Dat ze een vroom luchtje begint te verspreiden. Dat haar hysterische gedoe buitengewoon onaantrekkelijk is. Dat dat haren hemd-achtige martelaarsleven en verwaande kruistochtje die ze tegen iedereen voert hem helemaal niet bevalt. Dat haar haat gericht is op de persoon: ze zou beter moeten weten. Dat hij zich nog de tijd kan herinneren dat ze last had van een aanval van afvalligheid van het Nieuwe Testament die kilometers in de omtrek te horen was. En dat haar zenuwinzinking bovendien verschrikkelijk is voor paps en mams – of ze niet uit het zicht op de universiteit kan instorten. Ze ligt alleen maar ziek thuis omdat daar van alle kanten voor haar wordt gezorgd en ze van alle gemakken is voorzien.

Het bewustzijn van Christus
Zooey denkt dat Franny Jezus niet ziet zoals Hij is, maar een soort Franciscus van Assisi annex grootvader van Heidi van Hem maakt. En al dat gemekker over ego dit en ego dat: “… Je zou Christus zelf moeten zijn om te beslissen wat ego is en wat niet. We zitten in Gods heelal maatje, niet in het jouwe, en Hij heeft het laatste woord over wat ego is en wat niet…”. De helft van alle ellende in de wereld wordt juist veroorzaakt door het feit dat mensen hun echte ego niét gebruiken! Gaandeweg wordt Zooey steeds positiever over Jezus. Volgens hem steekt Hij met kop en schouders boven iedereen uit: “… Maar vooral, bovenal, welke Bijbelse figuur, behalve Jezus, wist – wist – dat we het Koninkrijk der Hemelen bij ons dragen, van binnen, waar we allemaal te godgeklaagd stom en sentimenteel en fantasieloos zijn om te kijken? Je moet echt een zoon van God zijn om dat soort dingen te weten. Waarom denk je daar niet aan? Ik meen het Franny, ik zit geen flauwekul te verkopen. Als je Jezus niet precies ziet zoals Hij was, dan begrijp je zijn gebed ook niet – dan krijg je zijn gebed helemaal niet, dan krijg je alleen maar een soort georganiseerde huichelarij…”. En even verder: “… Het Jezusgebed heeft een doel, en niet meer dan een. Degene die het uitspreekt te begiftigen met een bewustzijn van Christus…”. Misschien moet Franny dus toch maar doorgaan met het gebed. Mij lijkt dat hij bedoelt dat het bewustzijn van Christus 'liefde' is, dus kan het helemaal niet dat Franny alle ego’s haat. Eind goed, al goed: met een gelukzalige glimlach op haar gelzicht valt Franny tenslotte in slaap.

Uitgave: De Bezige Bij – 2008, vertaling Johan Hos, 212 blz., ISBN 978 902 342 840 4, € 19,90
Rechtstreeks bestellen: klik hier

vrijdag 12 mei 2017

Het Koninkrijk – Emmanuel Carrère


Ik vind het fascinerend hoe anderen de Bijbel lezen, en vooral: wat ze er van vinden en wat het met hen doet. De Franse schrijver Emmanuel Carrère (1957, auteur, scenarist, regisseur) brak internationaal door met "De sneeuwklas" (1995), waarvoor hij de Prix Femina kreeg. Voor "Limotov" (2011) ontving hij de Prix Renaudot en de vertaling kreeg de Europese Literatuurprijs.“Het Koninkrijk” (2015) werd door “Le Monde” bekroond met hun literaire prijs en door “Lire” verkozen tot beste boek van het jaar. In het laatst genoemde werk onderzoekt Carrère als agnost het Nieuwe Testament aan de hand van de protagonisten Paulus en Lucas. Hij vraagt zich verbijsterd af hoe een kleine Joodse sekte met volgelingen van een gekruisigde profeet kon uitgroeien tot een godsdienst die twee millennia later nog steeds door een kwart van de wereldbevolking wordt aangehangen (waaronder ik).

Mutanten

Carrère begint zijn verhaal met te vertellen hoe hij als scenarioschrijver paste voor “Les Revenants”, een dramaserie over een bergdorpje waarin doden terug komen die van niks lijken te weten. Het werd zo’n succes dat het de International Emmy Award voor de beste tv-serie ter wereld in de wacht sleepte. Als je het hebt over spijt als haren op je hoofd (zie Pete Best, die twee jaar drummer was bij een Liverpools bandje dat The Beatles heette, en kort voor het eerste platencontract opstapte)! Daardoor zet Carrère zich aan het onderzoek naar de eerste christenen, waar hij al eerder mee bezig was, maar even opzij had gelegd. In een dronken bui vertelt hij zijn vrienden dat het verhaal over het prille christendom om hetzelfde draait als “Les Revenants”: “… Wat in ‘Les Revenants’ wordt verteld, gaat over de laatste dagen die volgens Paulus’ aanhangers zonder twijfel aangebroken waren: de dagen dat de doden zouden opstaan en het laatste oordeel zou worden voltrokken. Het gaat over een gemeenschap van paria’s en uitverkorenen rond een verbijsterend voorval: een verrijzenis. Het gaat over iets onmogelijks dat toch gebeurt…”. En ronduit bizar: een hele hoop mensen ‘die voor de rest niet gek zijn’ geloven daar nog steeds in. Carrère vertelt zijn verhaal als een film:
“… Het speelt in Korinthe, in Griekenland, rond het jaar 50 na Christus – maar uiteraard vermoedt niemand op dat ogenblik dat hij ‘na Christus’ leeft. In het begin zien we een rondreizende predikant aankomen, die een bescheiden weefwerkplaats begint. De man, die later de heilige Paulus zal worden genoemd, staat voortdurend achter zijn getouw om tentdoek te weven en spant gaandeweg zijn web over de stad. Kaal, met baard, af en toe door plotselinge aanvallen van een geheimzinnige ziekte overmand, vertelt hij met gedempte, indringende stem over een profeet die uit de doden is opgestaan en dat die opstanding uit de doden het voorteken is van iets ontzaglijks: er zal zich een onzichtbare mutatie in de mensheid voltrekken. Dat werkt aanstekelijk. Het vreemde geloof verspreidt zich rondom Paulus in de achterbuurten van Korinthe en de aanhangers zien zich algauw zelf als mutanten: onnaspeurbaar vermomd in de gedaante van vrienden en buren…”. Iemand oppert dat het zo vertelt wel Dick lijkt, een sciencefictionauteur waar Carrère een biografie aan heeft gewijd. Philip K. Dick zal nog vaak opduiken in zijn verhaal. Carrère beschouwt hem als ‘een hedendaagse Dostojewski’.

Gebruikelijke E.O.-bekering
Carrère gaat niet over een nacht eis. Hij schrijft zich zelfs in voor een cruise ‘in het voetspoor van Paulus’ om contact te leggen met religekkies. Uiteindelijk krijgt hij er toch een ongemakkelijk gevoel bij en ziet er van af: “… Op mijn twintigste heb ik wat gefreelancet voor een would-be hip en provocerend weekblad waarvan het eerste nummer een enquête bevatte met de titel ‘Biechtstoelen op de testbank’. Verkleed als gelovige, dus zo lelijk mogelijk, bedotte de journalist priesters van verschillende Parijse parochies door steeds wildere fictieve zonden op te biechten…”. Hij betitelt dat achteraf als idioot en stuitend. Iedereen die zich in een synagoge of moskee iets vergelijkbaars veroorlooft zal uit alle ideologische hoeken onmiddellijk een storm van verontwaardigd protest over zich heen krijgen: “… Christenen zijn kennelijk de enigen met wie je ongestraft de draak mag steken – je krijgt gegarandeerd alle lachers op je hand…” (zie de publieke weegschaal waarop de SGP de maat wordt genomen). Zijn geplande zeevaart lijkt hem eigenlijk van hetzelfde kaliber. Bovendien heeft hij een voormalig gelovige binnen handbereik. Hij is namelijk zelf drie jaar christen geweest. In een periode waarin het bar slecht met hem ging, zijn eerste huwelijk een puinhoop was, hij een schrijversblock had en aan zelfmoord dacht. Kortom, hij heeft een gebruikelijke E.O.-bekering doorleefd.

De categorie van religieuze geesten
Carrère is niet godvruchtig opgevoed en in zijn milieu speelt het geloof geen enkele rol. Wel is hij erg gek op zijn peettante die hij bestempelt als een gelovige ziel. Volgens hem bestaan er twee soorten mensen: zij die zich in het hier en nu verliezen en zij voor wie het hier en nu niet genoeg is, voor wie het ‘zijn’ niet vanzelf spreekt, voor wie het leven een groot vraagteken is: “… Wat doe ik hier? En wat is dat, ‘ik’? En wat is ‘hier’?...”. De categorie van de ‘religieuze geesten’, waar zijn tante overduidelijk toe behoort en ik ook, vrees ik: “… In grote lijnen komt mijn stelling erop neer dat de zoektocht naar de betekenis van het leven, naar de andere kant van de medaille, naar de ultieme werkelijkheid die vaak onder de naam ‘God’ wordt aangeduid ofwel een illusie is (‘Daar weet je niets van,’ werpt Hervé tegen, en ik moet dat toegeven), ofwel een streven waar sommigen iets voor voelen en anderen niet. (…) Het is zoals blond zijn of bruin, al of niet van spinazie houden. Twee soorten mensen: hij die in de hemel gelooft, hij die er niet in gelooft; hij die denkt dat we op deze pijnlijke, veranderlijke wereld zijn gezet om vervolgens de uitweg te vinden, en hij die toegeeft dat die wereld weliswaar pijn inhoudt en voortdurend verandert, maar dat er daarom nog geen uitweg is…”. Die tante is overigens net zo thuis in het boeddhisme als in het christendom. De laatste jaren van haar leven laat ze zich mee slepen door allerlei apocalyptische hersenspinsels waardoor ze steeds verder weg zinkt in diepe duisternis, aldus Carrère, maar daar denkt hij liever niet aan (in mijn hart klinkt onmiddellijk een oud gereformeerd stemmetje dat zegt: zie je nu wel, ‘je kunt geen twee heren dienen’ en ‘God is een jaloers God’). Over zijn moeder zegt Carrère dat ze volgens hem heel goed weet dat er iets als een geestelijke dimensie bestaat, een innerlijk rijk dat het ‘enige begerenswaardige’ is, ‘de schat waarvoor het evangelie ons aanraadt elke rijkdom te verzaken’. Maar maatschappelijk aanzien, succes, de bewondering van zoveel mogelijk mensen zijn voor haar veel belangrijker, en “… ik ben net als zij. Ik wil ook steeds meer roem, steeds meer plaats in het hoofd van anderen…”. Toch trekt de ‘andere strijd’, de ‘echte strijd, die op een ander front wordt gevoerd’. Zijn moeder stuurt hem half spottend, half meewarig, naar zijn tante om over zijn ‘ziel’ te praten. Met zijn vader is hij wel eens naar de mis geweest, maar die zou het credo het liefst in het Latijn horen, omdat het in de eigen taal zo ‘dom’ klinkt. Dat zegt genoeg denk ik.

Omkering van waarden
Op een dag stort Carrère zich dus in het geloof en doet dat met heel zijn hebben en houden, ook al zijn godsdienstige omstanders heel wat minder rigoureus: “… Hervé is in de grond een platonist. Hij denkt dat we ons leven doorbrengen in een kooi, in een grot, in de penarie, en dat we daaruit moeten zien weg te komen. Persoonlijk ben ik er niet zeker van dat er wel een buitenwereld is waar we klapwiekend heen kunnen vliegen. Nee, zegt Hervé, zeker is dat niet, maar stel dat het zo is: dan zou het jammer zijn geen kijkje te nemen. En hoe kunnen we erheen? Door te bidden…”. Carrère trouwt in een arme parochie in Caïro, hij laat zijn twee zoontjes dopen, woont dagelijks de mis bij, biecht, gaat ter communie, zegt twintig à dertig keer per dag het Weesgegroet op en is het met alle bijna masochistische mystici eens dat God van hem vraagt wat hij juist niét wil. Zie de zaligsprekingen. Je kunt beter arm, hongerig, verdrietig en gehaat zijn dan rijk, verzadigd, opgewekt en populair. Het katholicisme vraagt nog wel wat meer van het gezonde verstand dan het protestantisme waar ik in ben opgevoed. Carrère wil geloven in de onfeilbaarheid van de kerk en in de realiteit van de transsubstantiatie: de hostie wordt werkelijk het lichaam van Jezus en de wijn wordt werkelijk zijn bloed, waardoor het ritueel voor buitenstaanders iets weg heeft van kannibalisme. Mark Twain: “… Het geloof is iets geloven waarvan je weet dat het niet waar is…”. Carrère worstelt met het idee dat het religieuze verlangen wortelt in nostalgie naar de vaderfiguur (zie het einde van mijn vorige blog): “… Ik heb Nietzsche gelezen en, toegegeven, ik had de indruk dat het op mij sloeg als hij zegt dat het grote voordeel van religie is dat we ons interessant kunnen voelen en de realiteit kunnen ontvluchten. Niettemin dacht ik: ja, natuurlijk kunnen we zeggen dat God het antwoord is dat we proberen te geven op onze angst, maar je kunt ook zeggen dat die angst het middel is waardoor God zich aan ons kenbaar maakt. Ja, natuurlijk kun je zeggen dat ik me uit wanhoop heb bekeerd, maar je kunt ook zeggen dat God me, om me te bekeren, de genade van de wanhoop heeft gegeven. Dit is wat ik uit alle macht wil denken: de illusie ligt niet in het geloof, zoals Freud ‘gelooft’, maar in datgene wat me aan het geloof doe twijfelen, zoals de mystici ‘weten’…”. Als je het hebt over ‘de omkering van waarden’.

Hij moet meer worden en ik minder
Carrère ontpopt zich als een onverbeterlijke navelstaarder. Hij schrijft elke dag minstens een uur lang in een schriftje over zijn zielenroerselen betreffende het evangelie en ligt in diezelfde periode twee keer per week op de bank bij een freudiaanse psychoanalytica om het drie kwartier over alles wat er in zijn hoofd rond spookt te hebben. Tel daarbij zijn toch al narcistische baan op: “… ik schrijf romans, een van die ‘krankzinnige beroepen’ zoals Paul Valéry het noemde, waarbij je bouwt op het beeld dat je hebt en geeft van jezelf…”. Als je geen neuroot bent wordt je het op die manier vanzelf wel. Carrère mijdt zijn vrienden in de uitgeverswereld, plaatsen waar alcohol wordt genuttigd, boekhandels die seculiere literatuur verkopen en legt zichzelf een godsdienstig regime op van Bijbel lezen en bidden want ‘Hij’, dat is God, ‘moet meer worden en ik minder’. Een grappig fragment gaat over een dakloze vrouw die Carrère uit christelijke naastenliefde in huis haalt om op zijn kinderen te passen. Ze houdt zich niet aan de afspraken, maakt een enorme bende en kladdert de gang vol duivels, want ze schildert. Tegen de tijd dat hij inziet dat haar aanhouden geen doen is krijgt hij haar het huis niet meer uit. Op de gereformeerde basisschool is mij geleerd dat katholieken hun behoud willen ‘verdienen’ door middel van ‘goede werken’ (vandaar dat de reformator Luther kwam met ‘het geloof alleen’). Nou – daar laat Carrère een stevig staaltje van zien, dan. Zijn vrouw wordt geacht alles maar goed te vinden. Hij vermoedt achteraf dat hij “… zich gedroeg als de sombere puriteinen uit de romans van Hawthorne, die met nietsontziende goedaardigheid het huiselijk leven van hun dierbaren, voor hun zielenheil welteverstaan, tot een ware hel maken…”.

Scepticus
Zijn christendom beklijft niet: “… Ik ben geworden wie ik zo bang was te worden. Een scepticus. Een agnosticus – niet eens gelovig genoeg om atheïstisch te zijn. Iemand die denkt dat het tegendeel van de waarheid niet de leugen is, maar rotsvaste zekerheid. En vanuit het standpunt van wie ik vroeger was, is het ergste nog dat het vrij goed met me gaat…” (zie Maarten ’t Hart: "Wie God verlaat heeft niets te vrezen"). Toch is het geloof geen afgedane zaak. Na vijftien jaar begint hij opnieuw het Nieuwe Testament te onderzoeken. Maar nu als vrijdenker: “… Ik geloof niet langer dat de tekst die ik lees het woord van God is. Ik vraag me niet meer af, toch niet in de eerste plaats, hoe deze woorden stuk voor stuk mijn levenshouding kunnen bepalen. In plaats daarvan stel ik me bij elk vers de vraag: waar haalt Lucas de dingen die hij daar schrijft vandaan?...”. Als Jezus geen licht geeft, verblindt Hij, volgens Carrère. Daarom wil hij Hem niet frontaal benaderen, maar via Paulus en Lucas: “… we zullen nooit weten wie Jezus echt was en wat hij echt heeft gezegd, maar we weten wie Paulus was en wat hij zei…”. En even verder: “… Paulus was een genie dat hoog verheven was boven de gewone stervelingen, Lucas een simpele kroniekschrijver die nooit heeft geprobeerd boven de massa uit te stijgen…”. De laatste zou volgens Carrère een Macedonische arts zijn die ook het Bijbelhoek “Handelingen der apostelen” heeft geschreven. Misschien was Lucas zelf wel de geheimzinnige man die Paulus in een droom verzoekt over te steken naar Macedonië, nadat Gods Geest hem de weg versperde naar Asia (“… Dat schrijft Lucas, zonder een spier te vertrekken of te verduidelijken welke vorm dit optreden van de Geest aannam…”). Wat bij mij ontzettend sympathiek overkomt is dat Carrère zich terdege bewust is van het feit dat hij als ongelovige onmogelijk neutraal kan kijken, dat hij zich ergens ver verheven voelt boven de onnozele ganzen die wél geloven: “… Terwijl ik in mijn wijsneuzige lectuur verdiept was, bleef iets in mij toch beseffen dat er geen betere manier is om de boodschap van het evangelie mis te lopen, en dat Jezus in het evangelie voortdurend beklemtoont dat het Koninkrijk niet toegankelijk is voor rijke of slimme mensen…”. Zijn vriend Hervé: “… Je zegt dat je niet in de verrijzenis gelooft. Maar om te beginnen heb je geen flauw idee wat het woord betekent. En door van meet af aan je ongeloof te verkondigen – waardoor je je kennis en je superioriteit etaleert ten opzichte van de mensen over wie je praat, ontzeg je jezelf elke toegang tot wie ze waren of wat ze geloofden. Je moet op je hoede zijn voor dat soort kennis. Begin niet met te zeggen dat je het allemaal beter weet dan zij. Probeer dingen van hen te leren, in plaats van hun de les te lezen. Het heeft niets te maken met de mentale verplichting iets te willen geloven wat je niet gelooft. Sta open voor het mysterie, en sluit het van tevoren niet uit…”.

Niemand verplicht je naar Christus te luisteren
In pakweg 400 bladzijden hervertelt Carrère het epos van het Nieuwe Testament op zo’n weergaloze manier dat ik het in één ruk heb uitgelezen. Je zou “Het Koninkrijk” bijna een kinderbijbel voor volwassenen kunnen noemen. Volgens hem leek de eerste eeuw veel op de onze. De Romeinen geloofden niet meer in de heidense goden, net zoals de meesten van ons niet meer in het christendom geloven. Dat belette hen niet de rituelen uit te voeren. Ook wij vieren desondanks nog steeds Kerst: “… Als Cicero in een beroemd gebleven zin schrijft dat twee vogelwichelaars elkaar niet kunnen aankijken zonder in de lach te schieten, was dat geen boude uitspraak van een vrijdenker, maar de algemene opinie …”. Sterker, wij zouden niet hetzelfde schrijven over twee bisschoppen, wij geloven nog wel dat bisschoppen geloven (alhoewel: dominee Klaas Hendrikse…). Carrère: “… Vandaar de behoefte toen als nu, aan oosterse religies, en de beste oosterse religie die er toen op de markt was, was de Joodse religie…”, waaruit het christendom ontstond. Hij schrijft dat de Romeinen bij gebrek aan collectieve idealen geen ander houvast meer hadden dan het eigen ik. Net als de moderne mens. Vandaar de stoïcijnse filosofie die je kunt zien als een zelfhulpmethode. Zie het succes bij ons van het boeddhisme (natuurlijk in de westerse light-versie). Hij vertelt dat de Romeinse steden, verbonden met een uitgebreid wegennet, allemaal volgens hetzelfde patroon waren gebouwd: “… Vergelijk het met de McDonald’s, de cola, de winkelcentra, de Apple Stores van nu…”. Hij noemt de bronnen die hij heeft aangeboord. Het zijn er niet eens zoveel en altijd dezelfde. Naast allerlei Bijbelvertalingen, de apocriefen die later kwamen. De Dode Zeerollen. Een paar heidense auteurs: Tacitus, Suetonius, Plinius de Jongere. En tenslotte Josephus. Dat is het dan. Als er meer waren wisten we dat wel. Hij haalt ook een stortvloed aan literatuur van al dan niet gelovige exegeten, theologen, literatoren en historici aan die over de Bijbel hebben geschreven. Steeds gaat hij uitgebreid op hun achtergrond in zodat het aan jou is of je je iets door hen laat gezeggen. Over de ongelovige historicus, filoloog en oriëntalist Ernest Renan die in 1863 met zijn “Het leven van Jezus” een schandaal ontketende: “… waardoor hij generaties lang als de antichrist gold, zodat de mensen al naar de biecht renden als ze nog maar een van zijn boeken in het raam van een boekwinkel hadden gezien…”. Om een idee te geven van de weinig verheven toon waarop ene Léon Bloy hem veroordeelt: “… Renan, de God der laffe geesten, de vetzuchtige wijze, het verfijnde wetenschappelijke kakstoeltje waaruit smeuïge geuren in door adelaars gevreesde dampslierten hemelwaarts kringelen, afkomstig van een ziel die verbannen is uit de plee waar ze het licht zag…”. Jaja.
Zelf is Carrère ook expliciet. Over ene Maccoby die stelt dat het christendom één en al verdraaiing van de waarheid is: “… Samengevat: na tweeduizend jaar duisternis verscheen professor Maccoby op het toneel. Ik heb zijn standpunten samengevat, maar sluit me er niet bij aan. Tweeduizend jaar integraal revisionisme aanklagen lijkt mij het toppunt van revisionisme…”. En over geleerden die de Bijbelse mirakels liever onder de mat vegen en een subtielere betekenis toekennen aan wat hen al te gortig overkomt: “… Alleen moet ik toegeven dat de Bijbel helemaal niet zo werd geschreven, hoe graag ik hem ook zo lees. Dat is niet nieuw: Philo van Alexandrië legde al veel talent aan de dag om teksten waarvan de ruwe bewoordingen hem en zijn toehoorders schokten, te transponeren naar een geestelijk en moreel niveau…”. En verder, als je het niet aanstaat, “… nou, niemand verplicht je om naar Christus te luisteren…”.

Ik weet het niet
Carrère verantwoord zijn hang naar het christendom als volgt: “…Stoïcijnen en boeddhisten geloven in de kracht van de rede en negeren of relativeren de afgrondelijke diepten van het innerlijk conflict. Ze denken dat onwetendheid het ongeluk van de mens is en dat wie het recept van het geluk kent dat alleen maar hoeft toe te passen en klaar. Als Paulus, tegen alle wijsheid in, zijn vlijmscherpe zin dicteert: ‘Ik doe niet het goede dat ik wil, maar het kwade dat ik verafschuw’, als hij tot deze vaststelling komt, die door Freud en Dostojewski onophoudelijk werd uitgediept en waar alle would-be-nietzscheanen nog steeds hun tanden op stukbijten, laat hij het antieke denkkader ver achter zich…”. De stoïcijn en de boeddhist zien het verlangen als de grote boosdoener: “… Verlangen hangt samen met lijden, schaf het verlangen af en je schaft ook het lijden af. Zelfs als dat waar is, loont het dan wel de moeite?...”. Wil je dat echt? Een leven zonder emotie, zonder nieuwsgierigheid, zonder passie? “… Volgens mij zijn zelfs de meest zelfverzekerde mensen onder ons bang als ze de kloof vaststellen tussen het beeld dat ze perse van zichzelf willen ophangen en het beeld dat ze zien tijdens hun slapeloze nachten, hun depressies, als alles wankelt en ze met hun handen in het haar op de plee zitten. In ieder van ons zit een raampje met uitzicht op de hel, we doen ons best uit de buurt te blijven, maar zelf heb ik zeven jaar van mijn leven doorgebracht voor dat raampje, als versteend…”, schrijft hij eerlijk. Voor hem lijkt het stoïcisme en boeddhisme teveel op jezelf aan je eigen haren uit het moeras trekken. Is Carrère een christen? “… Het boek waarvan ik nu het einde bereik, heb ik te goeder trouw geschreven, maar wat het probeert te benaderen is zo ontzettend veel groter dan ik, dat die goede trouw niets voorstelt, dat besef ik maar al te goed. Ik heb het geschreven met de beperkingen van wie ik ben: een slimme, rijke man uit de bovenlaag – stuk voor stuk handicaps om het Koninkrijk binnen te kunnen. Maar ik heb het geprobeerd. En op het ogenblik dat ik mijn boek afsluit, vraag ik me af of het verraad pleegt aan de jongeman die ik was en aan de Heer in wie hij geloofde, of hun juist op zijn manier trouw is gebleven. Ik weet het niet…”. Het doet me denken aan het commentaar van iemand die Eco opvoert in “Als we niet geloven, wat geloven we dan?”: “… is wie gelooft wel zo zeker te geloven? En is de ongelovige (ik spreek uit ervaring) wel zo zeker niet te geloven? Ik heb altijd gedacht dat een gelovige, ook als hij weet, nooit ophoudt met zoeken. De grenzen zijn vaag…”.

Uitgave: De Bezige Bij – 2015, vertaling Katelijne De Vuyst en Katrien Vandenberghe, 496 blz., ISBN 978 908 542 653 0, € 29,90
Rechtstreeks bestellen: klik hier

zaterdag 22 april 2017

Eden – Marcel Möring


Naar aanleiding van “De slinger van Foucault” noemde ik al even het ‘postmodernisme’. Volgens het postmodernisme bestaat er geen ‘waarheid’. Iedereen maakt zijn eigen verhaal. Leeft in zijn eigen bubbel. In de nieuwe roman, “Eden”, van Marcel Möring is dat hét grote thema. Het is het laatste deel van een ‘los-vaste’ trilogie, dat goed zelfstandig is te lezen. De voorgaande titels (met verwijzing naar Dante): "Dis" (2006) en "Louteringsberg" (2011). In het postmodernisme staat verder ‘decentralisatie’ hoog in het vaandel. De mens, het leven, de wereld, heeft geen centrum. Geen kern. Geen ziel. Het is natuurlijk niet zo raar dat dat zo wordt gevoeld in tijden van godloosheid. De grote filosoof Nietzsche:
“… Waar God heen is? riep hij, ik zal het zeggen! Wij hebben hem gedood – jullie en ik! Wij allen zijn zijn moordenaars. Maar hoe hebben we dit gedaan? Hoe konden we de zee leegdrinken? Wie gaf ons de spons om de hele horizon weg te vegen? Wat deden we, toen we deze aarde van haar zon losmaakten? Waarheen beweegt ze zich nu? Waarheen bewegen wij ons? Weg van alle zonnen? Vallen we voortdurend? Zowel naar achter, opzij, als naar voren, naar alle kanten? Is er nog een boven en onder? Dwalen we niet als door een oneindig niets? Is het niet kouder geworden? Komt niet steeds meer de nacht en meer nacht?...”. "Eden" heeft ook geen kern. Toen ik het uit had dacht ik: waar gaat het nu eigenlijk over? En dat is precies de bedoeling. Flansen in “De slinger” nog drie redacteuren met behulp van een computer, “Abulafia”, hun waarheid voor je in elkaar, bij Möring is dat aan de lezer. Je kunt er volgens hem uit halen wat er voor jou in zit. Nou, daar gaan we dan…

Chaos

Evenals in “De vrouwe van de Camino”, zie mijn vorige blog, wordt er in “Eden” heel wat af gelopen. Een voetnoot met een citaat van ene Simon Loder (Brill, Leiden, 1984):
“… Het is een Oedipaal patroon: men verlaat het ouderlijk huis om de wereld te ontdekken, om volledig mens te worden. Er is geen boek, geen vertelling, religieus of seculier, waarin het verhaal niet wordt verteld op het schema van de reis. De Gilgamesh, de Bijbel, Ilias en Odyssee, de Morte d’ Arthur, de Reynaert, Ulysses, ze zijn allemaal gegrondvest op de gedachte dat de mens de plaats verlaat waar hij is en vervolgens op zoek gaat in de wereld om hem heen…”. Het verschil is dat een pelgrim een doel heeft. In “Eden” gaat het om dolende zielen. Sinds de mens uit het Paradijs, “Eden”, werd verdreven struint hij rond in een chaos die behept is met tijd. “Eden” was een tijdloze tuin. Maar een tuin moet je altijd en eeuwig onderhouden en als je krachten het begeven zal je tuin onherroepelijk weer vervallen tot chaos. In de wanorde zoekt de mens naar orde. Steeds slingert de tijd als een wiel de mens heen en weer tussen chaos en orde. Paradise LostParadise Regained. Omdat de staat van wanorde normaal is hoeft volgens het postmodernisme niet vastgehouden te worden aan één soort genre. Alle stijlen kunnen naast en door elkaar bestaan. Möring verweeft twee in totaal verschillende schrijftrant geschreven geschiedenissen. Onderweg vallen ze ook weer uiteen in allerlei over elkaar heen buitelende subverhaaltjes, streeklegendes, plattegronden, tekeningen, reisverslagen, archiefstukken, wetenschappelijke artikelen en soms zelfs gekleurde typografieën. Aan het eind komen de lijntjes gelukkig wel samen. Hij noemt zijn roman dan ook een - in mijn ogen ontzettend knap - ‘Gesamtkunstwerk’.

Gewonde genezer
Het ene verhaal gaat over de spreekwoordelijke ‘Wandelende Jood’ die eeuwenlang over de aardbol zwerft zonder ooit ergens ‘thuis’ te raken. Hij heeft geen naam en is geboren in een zich telkens verplaatsend dorp in een woud zonder naam. Zijn moeder overlijdt na zijn geboorte, zijn vader moet hem niet. Als het meisje waar hij verliefd op is het leven laat tijdens een verkrachting beseft hij dat hij de schuld zal krijgen en slaat hij op de vlucht.
Het andere verhaal gaat over een hedendaagse psychiater, Mendel Adenauer, een vroeger personage uit Mörings’ debuut "Mendels erfenis" (1990), die twijfelt aan het nut van zijn specialisme. Op het eind van zijn boek zegt hij daadwerkelijk zijn baan op: “… Ik vind mij nu tekortschieten, tegenover mijn patiënten en tegenover mezelf. En ik begin nu zoveel in mijn patiënten te herkennen dat ik mij soms afvraag wie wie behandelt…”. Twee hulpvragers plegen zelfmoord, eentje loopt er weg. Je houdt geen patiënt over als het zo doorgaat, zegt een melancholieke onderzoeksrechercheur, ene Bergkamp, tegen hem. Het valt blijkbaar niet mee de messias uit te hangen: de huidige literatuur wemelt van aan zichzelf twijfelende psychiaters (hoe kunnen cliënten dan in ze geloven?). Zie "Boy" van Wytske Versteeg, zie “Moedervlekken” van Arnon Grunberg. Ranne Hovius heeft het in “De eenzaamheid van de waanzin” eufemistisch over ‘gewonde genezers’.
“… Waarom doen mensen zoiets? …”, namelijk zelfmoord plegen, “…Waarom kunnen we ze niet helpen? Waarom zijn het verdriet en de pijn en de wanhoop zo groot dat…”, vraagt Adenauer zich af.

Opgedonderd en deelnemen aan de economie
Wat zijn mensen tegenwoordig anders dan kanonnenvoer voor de economie?
Een collega-psycholoog: “… Het motto is nu ‘de eigen kracht’. Maak de patiënt bewust van zijn eigen kracht. Kijk niet naar wat niet kan, maar naar wat mogelijk is, waaraan hij kracht kan ontlenen. Empowerment… Het cadeaupapiertje om de lege doos van de bezuiniging. God, ik wilde mensen genezen, toen ik studeerde. Nu moet ik ze in zes of twaalf sessies de deur uit werken en zeggen: je kunt het wel, vertrouw op je kracht, leun niet in je zwakte. Opgedonderd en deelnemen aan de economie…”. Ik denk vanzelf aan de verwarde man die van de week omkwam bij de explosie van een flat in Veendam. En aan de moordenaar van Els Borst: geen enkele hulpverlener die de moeite nam naar het hele plaatje te kijken. Over een assistent: “… Hij is begin dertig, een biologische psychiater in zijn eerste baan. Hij heeft de verende tred van iemand die popelt om de handen uit de mouwen te steken. Ik heb meer van die daadkrachtige jonge psychologen en psychiaters meegemaakt. Het eerste jaar zien ze nog symptomen, daarna vooral categorieën uit de DSM. De verzekeraars, de cliënten, en de artsen, iedereen is gericht op snelle, heldere diagnose en een effectief en goedkoop behandelplan. Niemand neemt meer genoegen met ambiguïteit of de mogelijkheid dat het leed dat wordt gevoeld misschien wel bij het leven hoort. Dus er wordt voorgeschreven, behandeld, online of in het echt, want iedereen moet functioneren, bij voorkeur zo snel en optimaal mogelijk, want de economie staat niet stil…”. Möring poneert statements waar we het allemaal mee eens zijn, maar wat kunnen we er eigenlijk mee?

Hechting
Adenauer behandelt vooral mensen die worstelen met onoverkomelijke hechtingsproblemen. Sterker: eigenlijk is hij zélf een groot hechtingsprobleem. Hij mag dan af en toe beestachtige seks hebben; niet één vrouw weet hij aan zich te binden. Eén van zijn vriendinnen: “… Jij was… Jij bent mijn grote liefde. Nog altijd. Maar het is met jou alsof je van een heel mooi Grieks beeld houdt. Je kunt het wel omhelzen, maar het omhelst jou nooit terug…”. Hij vertelt dat het moeilijk is voor een cliënt om zich volledig bloot te geven zonder een idee te hebben van het leven en de persoonlijkheid van zijn therapeut. Hij denkt dat een persoonlijke noot in de inrichting van de spreekkamer kan helpen: “… Vriendschap, net als liefde, is uitwisseling van informatie en wat is emotie anders dan een vorm van informatie? Wat mensen ‘blootgeven’ noemen, is het buitenlandbeleid van de relatie: ik laat dit van mij zien, jij toont dat van jou. Als dat er niet is, kan er geen betekenisvolle intieme relatie zijn…”. Dirk De Wachter stelt in zijn bestseller “Borderline Times. Het einde van de normaliteit” dat de maatschappij sinds het verlaten van God lijdt aan borderline-symptomen. Je zou voor hetzelfde geld kunnen concluderen dat de maatschappij mank gaat aan hechtingsstoornissen. De meeste patiënten komen bij Adenauer terecht omdat er niemand is die om hen geeft: “… De hele wereld, haar hele omgeving, ik, zelfs jij, iedereen heeft nagelaten om voor haar, voor elkaar en voor zichzelf te zorgen. Er is veel pijn en ongeluk in de wereld, Bergkamp, en wij leven allemaal bij de illusie dat ziekenhuizen, dokters en psychiaters dat wel oplossen. We hebben onze compassie geïnstitutionaliseerd. Als we wat meer…”. Over een man die geen enkele fiducie heeft met zijn zieke vrouw, “… Hij wil geen gek wijf. Slecht voor de zaken. Zijn woorden…”, en haar inruilt voor een ander: “… Je mag een klootzak zijn in dit land. Overal eigenlijk. Soms denk ik dat dat voor de meeste mensen het doel is van vrijheid, de vrijheid om een klootzak te zijn…”. Je zou af en toe willen dat gebrek aan compassie strafbaar was: “… ‘Dan kan het nog knap stil worden op straat,’ zegt Bergkamp…”.

Heling
Toch laat Möring een personage zeggen dat ‘helen’ de enige zin is van het bestaan: de wereld heel maken. Wie één mens redt, redt de hele wereld, aldus een joods gezegde. En bovendien kent iedere generatie zijn zesendertig verborgen rechtvaardigen die je daarbij helpen, volgens de joodse traditie. Met 254 gijzelaars achter de hand wordt de Wandelende Jood op een gegeven moment door de heer van een stad op pad gestuurd om “Het boek van Raziël” te gaan zoeken dat Adam, nadat hij uit het paradijs is weggestuurd, van een engel heeft gekregen. De hele toekomst staat erin beschreven. Als je het leest zul je wijs worden; alles wat er gebeurt begrijpen. De andere engelen waren echter zo jaloers dat ze het boek van Adam afpakten en in zee gooiden. De enige aanwijzing: het bestaat nog steeds - en wel in het klooster “Mariënkamp” te Assen (of all places!). Kan er uit Assen iets goed komen? De Wandelende Jood doet Assen aan, dat beschreven wordt als een ‘omgekeerd soepbord’, als een gouw van Tolkien waar de tijd aan voorbij gaat. De Wandelende Jood vindt niet wat hij zoekt, en uiteindelijk schrijft hij “Het boek van de heelheid” zelf. Adenauer: “… Ik probeer een handjevol in de knel geraakte mensen te genezen van de pijn van het verdreven zijn, uit het leven en de liefde van anderen, uit zichzelf, uit de beschutting die anderen wel en zij niet meer kennen. Het is water naar de zee dragen, een klok reparen terwijl die nog loopt, het is een gevecht tegen de tijd en het verval. Het is niet genoeg. Je kunt de wereld heel maken door bij jezelf te beginnen, je kunt de wereld mens voor mens willen helpen, je kunt absolute macht verwerven en als leider voorgaan, op weg naar het licht. Geen van deze methodes heeft iets opgeleverd, anders dan het lenigen van individueel leed, of het omgekeerde, als de enkeling wordt opgeofferd op het altaar van groter of gemeenschappelijk goed, of erger: de heilige koe van de economie…”.

O Haupt voll Blut und Wunden
Adenauer gelooft in de helende kracht van praten (maar pillen zijn natuurlijk veel goedkoper): “… ‘Eigenlijk,’ zei ik, ‘eigenlijk wil ik zeggen: er is iets vreselijks met je gebeurd, niemand kan dat ongedaan maken, niemand kan voelen zoals jij het voelt. Niemand kan je herinneringen wegnemen. De pijn, die zou ik willen verzachten, maar ik denk dat alleen de tijd dat kan. Tijd slijt. Ik kan wel naar je luisteren. Als jij je verhaal wilt vertellen, dan ben ik er om naar je te luisteren.’…”. Maar wat als het zo erg is, dat mensen geen woorden kunnen vinden, als het zo erg is, dat ze het zich niet meer herinneren? Adenauer: “… Als mensen niet kunnen spreken, als ze moéten zwijgen, dan is er toch altijd een manier waarop ze communiceren. Soms door middel van ruzie. Soms met gebaren. Met de manier waaróp ze zwijgen. Met tekens…”. Hij vertelt over een patiënte die s’ nachts als een indiaan door het centrum liep, haar gezicht beschilderd met het bloed van een tampon. ‘O Haupt voll Blut und Wunden’ (de associatie met immense verlatenheid vanwege het afgerukte hoofd van iemand die voor een trein is gesprongen laat ik maar even voor wat het is). Het gaat over een film waarin een man met een stok in de vloedlijn schrijft: ik heb een vrouw verkracht. En over het sprookje over een kapper die de koning knipt en ontdekt dat die hoorns heeft. Hij mag het tegen niemand vertellen. Op een dag loopt hij naar de oever van een rivier en fluistert zijn geheim in het riet. Later horen mensen het riet ruisen: de koning heeft hoorns, de koning heeft hoorns. Adenauer maakt een patiënte mee die totaal uitgeput is vanwege haar dwangneuroses. Haar zus heeft haar gevonden in bed. Naakt. Al haar kleren liggen gewassen en opgeborgen in de kast. Het gas en de elektriciteit heeft ze uitgedraaid. Alsof ze zichzelf wil uitwissen. Later vertelt ze dat ze zich twee keer per maand uitleeft tijdens heftige seksfeesten. Niet vanwege het genot, maar om zichzelf te verliezen. Uit pure doodsdrift dus. Werkelijkheid of fantasie? Dat maakt niet uit. Adenauer: “… ‘De fantasie waarin men leeft is de werkelijkheid,’ zeg ik. ‘En we hebben allemaal onze eigen fantasie. Dat is het verhaal dat we van onszelf maken. Ik ben zus en zo. Dit is mijn geschiedenis en dit ben ik’…”. Ook heeft hij het over de zich steeds herhalende drama’s in sommige mensenlevens, om zo het niet gevoelde gevoel toch te beleven: “… Ik vermeed de voor de hand liggende vraag. In de therapie kunnen wij het paard naar het water leiden, maar het moet het zelf als zodanig herkennen…”.

Waar is ‘thuis’?
Uiteindelijk lijkt hij zichzelf te vereenzelvigen met de Wandelende Jood: “… Zoals Oedipus zijn aangekondigde lot tracht te ontvluchten en daardoor juist in de armen van dat lot belandt, zo heb ik mijn verleden ontkend om er juist door gegrepen te worden…”. Vaderloos – moederloos, altijd vol existentiële onrust op pad, zwervend, zwijgend, alleen: “… Waarvoor vluchten, waarom dat dwalen en zwerven, waar is ‘thuis’? Het is niet alleen een kwestie van psychologie. Het is ook politiek en cultureel. Zolang ballingschap, de vlucht voor armoede, geweld en onderdrukking worden gezien als rampen, dat wil zeggen: als incidenten die de mens kunnen treffen, ontkennen we het structurele karakter van de ontheemding. Er zijn altijd vluchtelingen en ontheemden geweest – psychologisch, politiek en cultureel – en ze zullen ook altijd blijven bestaan. De scheppingsverhalen die ten grondslag liggen aan zoveel culturen reppen bijna allemaal van vlucht, van exodus, van odessee. Uit Eden, uit Uruk, uit Ithaca, uit het Rusland van de tsaar en het geweld en de droogte van Afrika, uit het Midden-Oosten, terug naar het land der vaderen, voortgedreven door aanstormende legers, natuurrampen of uitzichtloze armoede…”. We zijn allemaal ontheemden. We trekken ergens vandaan of we gaan ergens naar toe. En dat is niet alleen psychologisch, politiek en cultureel, maar ook en vooral religieus denk ik: we verlangen allemaal naar het huis van de Vader. 'Onrustig is ons hart tot het rust vindt in U, oh God' (Augustinus).

Uitgave: De Bezige Bij – 2017, 408 blz., ISBN 978 902 349 614 4, € 19,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier