Menu

donderdag 12 januari 2017

Boud – Eva Rovers


Subtitel: Het verzamelde leven van Boudewijn Büch (1948-2002)

Als je een biografie van bijna vijfhonderd bladzijden kunt schrijven - en dan tel ik het bronnen- en literatuuroverzicht niet mee - zonder ook maar ergens te verslappen of saai te worden, dan is dat groots. Eva Rovers nam het leven van Boudewijn Büch onder de loep. De zelfbenoemde drugsprofessor, muziekexpert en boekenfanaat die ook nog eens jarenlang half Nederland aan de buis gekluisterd hield met onder andere excentrieke reisprogramma’s. Hij beweerde dat hij Nederlands, Duits en Filosofie had gestudeerd. In feite kwam hij nooit verder dan de plaatselijke Mulo. Wat maar weer eens bewijst dat als je maar kan lullen… Hij beweerde nog heel veel meer waar niets van klopte. Was hij een pathologische leugenaar? Was hij een pathologische fantast? Rovers waagt zich niet aan een beoordeling. Ze is dan ook geen gedragsdeskundige (ik zou anders best wel eens de mening van een doorgewinterde psychiater willen horen). Enfin; Büch hield van boeken – en ík houd van iedereen die van boeken houdt…

Kwijnende start

Het leven van dichter-schrijver-journalist Büch is performance, is theater. Rovers begint haar verhaal met hoe Boudewijn als kwijnend negenjarig jongetje - hij wilde niet groeien - in een druk katholiek gezin met uiteindelijk vijf broers, naar een vakantiekolonie wordt gestuurd om aan te sterken. Een belangrijk gegeven, want later zal hij niet alleen in zijn romans (zie "Het dolhuis") maar ook in interviews beweren dat hij in een jeugdpsychiatrische instelling heeft gezeten. Hij komt er in zichzelf gekeerd en dwars uit terug. Hij moet het er vreselijk hebben gevonden. Vanwege een buikvliesontsteking belandt hij een tijdje daarop ook nog eens in het ziekenhuis, wat hem op het randje van de dood brengt. Heeft dat hem getriggerd om later een zoontje te verzinnen dat in het ziekenhuis overlijdt (zie “De kleine blonde dood”)? In ieder geval komt uit Büchs’ schoolverleden een beeld naar voren van een ongelooflijk druk en slim ventje dat tegenwoordig waarschijnlijk met het etiket ADHD en een herhaalrecept voor Ritalin de wereld in zou zijn gestuurd. Büch kan alleen maar belangstelling opbrengen voor de vakken die hem interesseren. Daarom loopt zijn omgekeerde schoolcarrière van gymnasium naar mulo. Zijn vader is een overgodsdienstige, autoritaire tiran die zijn moeder mishandelt. Als zijn oudste broers, die drie keer in de week naar de mis moeten, hun vader terug beginnen slaan, gaat het stel uit elkaar. Büch is verguld met zijn rol als misdienaar. Maar als hij vanwege zogenaamde verkeerde schoenen wordt ontslagen - de werkelijke reden is dat een zoon van gescheiden ouders natuurlijk niet kan - zal hij zijn leven lang furieus op de kerk reageren. Ook al trapt zijn vader zijn eerste, met auto’s wassen zuur verdiende radiootje kapot, toch zal Büch hem blijvend adoreren. Hij zou een gevluchte Duitse Jood zijn die als piloot bij de RAF heeft gediend. Hij zou zelfmoord hebben gepleegd vanwege zijn oorlogstrauma’s en een miljoenenerfenis hebben achtergelaten. In werkelijkheid was zijn vader een onbetekenende gemeenteambtenaar die overleed aan een hartkwaal. Hij liet zijn zoon precies 944 gulden na.

Koekoeksjong
Op het gymnasium komen Büchs’ ontegenzeglijke talenten boven water. Hij begint zijn eerste gedichten te publiceren in de schoolkrant. Er staat een prachtige foto in het boek van twee langharige puberale hippie’s, gebogen over een boek van Goethe: Büchs’ levenslange fascinatie (kom daar nog maar eens om). Met stip gevolgd door Bilderdijk oftewel ‘Billy’, Achterberg en rockster Mick Jagger. Steeds krijgt Büch het voor elkaar zich als een koekoeksjong in de gezinnen van zijn vriendjes te wurmen, waar hij het geestelijk voedsel dat er geboden wordt en thuis node mist, onverzadigbaar opslurpt. Hij mag mee op vakanties. Hij wordt verliefd op onbereikbare zussen. Hij leert net zo begeesterd naar klassieke muziek te luisteren als naar popmuziek: Beethoven, Mozart, Bach. Later de modernere Stravinsky, Prokovjef, Bartók en wat hem betreft de grootste componist aller tijden: Maurice Ravel. Een vader stuurt hem met zijn zoon naar concerten in het Kurhaus. Ze wagen zich zelfs aan het zestien uur durende “Ring des Nibelungen” van Wagner in het Circustheater. Een andere specialiteit is zijn geestdrift voor chemicaliën. Zijn slaapkamertje bouwt hij om tot gifmuseum. In ruil voor het rondbrengen van recepten geeft een drogist hem af en toe wat uit zijn voorraadje arsenicum en cyaankali – of in ieder geval gelooft Büch dat. Een druppeltje van dat spul zou genoeg zijn ‘om heel Wassenaar plat te leggen’. Zijn spreekbeurten worden op elke school legendarisch. Een leraar is zo enthousiast dat hij zelfs geen protest aantekent als Büch op de proppen komt met een paar verdachte flesjes om het verschil tussen hasj en wiet uit te leggen, en welke geestverruimende effecten de paddenstoelen hebben die hij voor de gelegenheid ook maar heeft meegebracht. Steeds vindt Büch buiten de schoolmuren mensen die zijn artistieke ambities stimuleren. De meest verrassende is voor mij wel dominee en kinderboekenschrijver Sipke van der Land, die een paar straten verder woont. Daar heb ik namelijk ook nog wel wat ‘verdachte’ titels van in mijn boekenkast staan: “Tussen geloof en bijgeloof. Ervaringen met spiritisme, reïncarnatie, astrologie”, “Wat bezielt ze? Het handboek van sekten, stille krachten en bewegingen” en “De hersenspoelers. Over de gevaren van sekten en kulten, hoe hersenspoeling werkt, hoe jongeren plotseling robots worden, wat er tegen gedaan kan worden, onthullingen over deprogrammeren”. Vond de ene romanticus de andere?

Blue days, black nights
In de zomer van 1968 vertrekt Büch met zijn spullen op een bakfiets naar zo’n klein Leids kamertje dat één van zijn vrienden opmerkt dat de Drie van Breda waarschijnlijk nog meer ruimte hebben. Vijf uur per dag staat hij als afwasser in de spoelkeuken van V&D. Ondertussen vindt hij zichzelf terug in het cultboek van destijds: “The Romantic Agony” van Mario Praz. A là Goethe begint hij te werken aan een extreem imago waar hij op den duur zelf nauwelijks waan en werkelijkheid van lijkt te kunnen onderscheiden. Hij vertelt overal rond dat hij studeert, bezig is aan een proefschrift over literators en roesmiddelengebruik en maakt faam als drugsvoorlichter. Hij koketteert met de dood. Hij doet zich voor als homo, later zelfs als pedo (waar hij onder invloed van Jan Hanlo en Willem de Mérode, dichters waarbij de onderhuidse seksuele spanning bijna voélbaar is, soms ronduit onbenullige gedichtjes over schrijft) terwijl hij ondertussen toch echt alleen maar met vriendinnetjes naar bed gaat. Muzen die hij niet aan zich weet te binden. Is hij bang om volwassen te worden? Hij vertelt aan zijn vrienden dat het zoontje van een getrouwde, tien jaar oudere tekenlerares de zijne is. Later verzint hij erbij dat ze hem vanwege alcoholisme verwaarloost waardoor het jongetje in het ziekenhuis terecht komt en overlijdt. En hij kan niet eens de begrafeniskosten betalen - een leugen die hem een extra bonus van de Sociale Dienst oplevert. Pikant detail: ze heeft het kind insuline en valium toegediend – waarvoor iedere andere moeder als moordenares in de gevangenis zou zijn beland. Büchs’ lijden is volgens eigen zeggen mateloos: somberheid, slaapstoornissen, dwangneuroses, onrust, paniekaanvallen, geldgebrek. Hij bijt constant op zijn nagels van de zenuwen, gaat gebukt onder schulden, en niemand-niemand die hem begrijpt. Verlichting zoekt hij in excessief gebruik van koffie, sigaretten, alcohol, slaappillen, valium, hasj, lsd en psychiaters. Niets helpt. Hij houdt er als uitgekotst genie enkel ‘tremor-klauwtjes’ aan over. De enige anti-depressiva waar hij écht aan verslaafd raakt zijn: boeken. Hij koopt ze in onbegrensde hoeveelheden en op de pof. Sylvia Plath, Frederik van Eeden, Franz Kafka, Gerard Reve, Astère-Michel Dhondt, Charles Baudelaire, Thomas de Quincy, Oscar Wilde, Arthur Rimbaud, Honoré de Balzac, George Sand en natuurlijk van Novalis “De blauwe bloem” dat ook nog eens een ‘caeruleofiel’, een ‘minnaar van blauw’, van hem maakt. Het lijkt wel of hij uit iedere roman iets oppikt wat hij gebruikt om zijn rol als ‘paria die hunkert naar liefde’ op te schroeven. Hoe langer hoe meer vervreemdt hij van zichzelf en zijn omgeving. Zijn onverzadigbare verlangens kan ik als gelovige ziel, eigenlijk toch wel enigszins verbijsterd, alleen maar duiden als ronduit religieus: “… Ik mis iemand, maar ik weet niet wie…” en “… Zijn poging om mensen te laten samensmelten in zijn gedichten kwam voort uit de wens iemand te vinden die als bij toverslag zijn depressies, angsten en eenzaamheid zou laten verdwijnen, hem gelukkig zou maken zonder dat hij daar zelf iets voor hoefde te doen. Omdat de ander hem volkomen zou begrijpen. Zonder geliefde voelde hij zich verloren, waardoor hij constant op zoek was naar die ene reddende ontmoeting die Bryan Ferry had bezongen: I remember just before we met / When every night and day / I had to live the life / Of a lonely one…”.

Enfant terrible
Büch krijgt het voor elkaar om Harry Prick, de conservator van het Letterkundig museum, met zijn gedichten in te palmen. Die krijgt het vervolgens weer voor elkaar om de legendarische Martin Ros van de Arbeiderspers voor Büch te interesseren. Zijn gedichten worden gepubliceerd terwijl hij ondertussen ook naam weet te maken als provocerend boekrecensent, hoewel Büch absoluut niet de kunst verstaat zijn bewondering voor zijn helden te onderbouwen of hun kwaliteiten te analyseren. Volgens critici stijgt zijn verskunst, die opvallend veel citaten uit popsongs bevat, ook al niet uit boven ‘de lucht is blauw, ik hou van jou’: “… Büch zou hoesteksten moeten gaan schrijven voor langspeelplaten. Dan zou hij beter tot zijn recht komen en ook meer verdienen…”. Later zal hij zijn gedichten vooral uitgeven in beperkte bibliofiele uitgaven (dan gaat het veeleer om de zeldzame druk in plaats van de inhoud). Zijn gekte werkt aanstekelijk en zijn ster is rijzende. Zijn spetterende artikelen bestaan voornamelijk uit bizarre anekdotes waarbij hij vooral zichzelf als ‘enfant terrible’ in de schijnwerpers plaatst. En dat werkt: het ‘gewone volk’ vindt hem leuk. Hij genereert zijn eigen werk. Dat zal wel moeten ook, want hij koopt aan één stuk door, vaak peperdure antiquarische, boeken. Hij gaat failliet omdat hij niets heeft met geldzaken en alle post wat daarmee te maken heeft ongeopend in een hoek gooit. Een waardeloze curator dwingt hem nergens toe zodat hij zich zwart en cash laat uitbetalen of vraagt om cheques: hij veinst geen bankrekening te hebben. Uiteindelijk zullen vaderlijke beschermers hem uit de brand helpen, en verdient hij zoveel dat hij zich een enorm appartement in de Amsterdamse binnenstad kan veroorloven: “De koning van Zweden” – overigens niet na nog eens flink belazerd te worden door een aannemer (zie "De rekening"). Hij richt het in als bibliotheek annex museum. Hij schrijft duizelingwekkende hoeveelheden enthousiaste reportages, columns en interviews voor Mare (Leids universiteitsblad), Folio (Amsterdams universiteitsblad), Oor (muziekkrant), Rolling Stone (Muziekkrant), Elsevier, Vrij Nederland, Nieuwe Revue, Penthouse, de NRC, Het Parool, de Volkskrant, Maatstaf en Bzzletin. Hij houdt lezingen, vaak in bibliotheken, en doet mee in discussiepanels. Het reformatorische publiek krijgt hij tijdens een betoog over Bilderdijk (refo’s hebben zo hun eigen helden) op de kast door te argumenteren dat het aan hem te danken is dat tweehonderd jaar na dato strenggelovigen nog steeds hun kroost weigeren in te enten, met alle risico’s van dien –zodat de dichter verantwoordelijk is voor duizenden gestorven en verminkte kinderen, terwijl Bilderdijk notabene zelf verslaafd was aan opium. Hij schrijft - in mijn ogen prut - romans waarvan “De kleine blonde dood” 30 keer is herdrukt en verfilmd (met onder andere Anthonie Kamerling als acteur). Zijn non-fictie boeken zijn veel leuker. Zie zijn vijf boeken over eilanden en “Bibliotheken”.

Houd dan effe je botte harses
Büch blijkt met name een magnetische podiumpersoonlijkheid. Daar legt hij zich meer en meer op toe. Hij lijkt zelf ook wel in de gaten te hebben dat hij geen literair hoogstandje is. Hij maakt radioreportages voor de VPRO, zit aan bij “De ronde tafel van Pam” en beleeft zijn televisiedebuut in “Het verschijnsel B” naar aanleiding van de Boekenweek in 1982. In een interview ontlokt hij zijn idool Gerard Reve in 1983 zulke politiek incorrecte uitspraken dat Wilders erbij vergeleken een engeltje is. Over dat mensenrechtenactiviste Joke Swiebel opgeveegd en in een concentratiekamp doodgeknuppeld dient te worden. Over dat de Amsterdamse burgermeester Wim Polak voor de Jodenvervolging in Rusland is. Over dat hij Wolkers en Mulisch van harte een communistisch concentratiekamp gunt. Over dat er in Nederland niemand voor de zwarten is. Enzovoorts. Het wordt een geweldige rel. Rond afgelopen kerst vertelde priester Antoine Bodar aan Pauw dat hij van plan is ooit nog een boek over Reve te schrijven. Ik ben benieuwd wat hij met dit soort zogezegd ‘ironische’ commentaren gaat doen. Ondertussen wordt Büch in het praatprogramma van Sonja Barend door het VARA-publiek verkozen tot de ‘pissigste recensent’. In haar programma haalt hij het bloed onder de nagels van actrice Adelheid Roosen vandaan. Woest schreeuwt ze hem toe als hij haar niet laat uitpraten: “…Je wilt toch antwoord, houd dan effe je botte harses, Büch! Schrijf dat vileine gezever in die nare stukjes van je…”. Waarop Sonja Barend moedeloos verzucht: “… Dit is echt verschrikkelijk, ik wou dat ik naar huis kon…”. In de boekenrubriek “De verbeelding” valt zijn enorme improvisatietalent op. Hij laat zijn publiek boektitels raden door ze zelf uit te beelden. Hij loopt bijvoorbeeld in een rode jurk over de bühne: “Opwaaiende zomerjurken” van Oek de Jong. In 1984 krijgt hij zijn eigen programma “Büch’s boeken”. Hij schopt het tot presentator van het benefietconsert “Live Aid”. Hij neemt opdrachten aan voor televisiereclames (Lassie-rijst). Hij rolt als Mick Jagger over de vloer in de sterrenplaybackshow van Henny Huisman. Voor de gein prijst hij met steeds verschillend gekleurde archiefhandschoentjes kostbare boeken aan. Hij wordt een typetje bij “Van Kooten en de Bie”, die als hypomane, prettig gestoorde boekengek toevallige voorbijgangers aanklampt met de vraag wat ze lezen: “…‘Ludlum? Dat is toch een raar boek. Dat is toch niet zo mooi als Keute.’ (…) ‘Kent u Keute?’ ‘Wat?’ ‘Keute!’…”. Hij wordt gevraagd voor een kunstprogramma. Hij maakt 332 afleveringen van het reisprogramma “De wereld van Boudewijn Büch” waarin hij zijn fascinaties en idolen achterna gaat – waarvan nog veel te zien is op Youtube. Hij maakt een uitzending met de zo mogelijk nog freakeriger Engelse schrijver en ontdekkingsreiziger Redmond O’Hanlon die in de negentiende eeuw lijkt te zijn blijven hangen, waarvan een paar jaar geleden ook nogal wat reportages op de Nederlandse tv zijn uitgezonden (zie bijvoorbeeld zijn boeken "Naar het hart van Borneo" en “Tussen Orinoco en Amazone”). Hij schuift aan bij “Barend & Van Dorp”. Doet mee aan allerlei spelletjesprogramma’s, zoals “Waku Waku”, waarin hij altijd wint. Musea vragen hem als adviseur. Uiteindelijk bereikt hij een cultstatus en heeft hij van 1995 -2002 zijn eigen theaterprogramma “Büch denkt hardop”. En dat alles terwijl hij ook nog zogenaamd aan slopende keelkanker lijdt.

Leegte. Alles is leegte.
Naarmate de middelbare leeftijd nadert verbreekt Büch steeds vaker zijn contacten en wordt hij hoe langer hoe eenzamer. Is hij bang voor ontmaskering? De dood boezemt hem angst in. Hij gaat gedegen medisch onderzoek uit de weg als hij lichamelijke klachten krijgt: benauwdheid, vermoeidheid, hartproblemen. Zaterdagmiddag 23 november 2002 valt hij, terwijl hij uit bed stapt, dood neer - 53 jaar oud.
Tegenwoordig loopt iedere schrijver met zichzelf te koop, maar Büch gooide zichzelf in de ring in een tijd waarin dat 'not done' was. Hij wist de muur tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur te slopen. Hij was één van de populairste leraren van Nederland getuige de vele condoleanceberichtjes: “… ‘Hij was de enige die geschiedenis en wetenswaardigheden op zo’n fantastische wijze aan de man kon brengen.’ ‘Je hebt me laten zien dat literatuur leuk kan zijn.’ ‘Dank voor het overdragen van je kennis via alle mogelijke media.’ ‘Mijn vader had Pierre Jansen, ik jou als verteller.’ ‘Wijsheid zo toegankelijk maken; dat is kunst. Ook ik kwam zo dingen te weten en raakte geïnteresseerd, in een wereld zo onbekend.’ ‘Hij leerde mij reizen zonder te bewegen.’ ‘Dank je voor je schitterende woorden en de vele leerzame dingen die je me hebt bijgebracht.’ ‘Had ik vroeger maar zo’n leraar geschiedenis, dan zou ik nooit hebben gespijbeld tijdens zijn lesuur.’ …”. Zijn familie heeft jarenlang gesteggeld over zijn nalatenschap. Rovers: “… Theo van Gogh was al ver voordat Büch overleed, geïntrigeerd door zijn gefabuleer, zoals Van Gogh überhaupt geboeid was door de menselijke impuls om te liegen – en dat ten koste van alles te verhullen. Toen hij in oktober 2004 Joost Zwagerman tegenkwam op de Amsterdamse Ceintuurbaan, sprong hij van zijn fiets en riep dat hij een idee had voor een nieuwe film: 'Büch. Fenomenaal dat kasteel van leugens dat Boudewijn Büch heeft gebouwd!' Zwagerman, met wie hij eerder een film had gemaakt, moest het scenario schrijven. De dood van Van Gogh een maand later voorkwam dat het plan verder zou ontkiemen…”. Ondertussen is Zwagerman er ook al niet meer.
Büch heeft al zijn passies uitgeleefd. Deed wat hij wilde. Niets hield hem tegen. Was dat bevredigend? Nee. Keer op keer benadrukte hij de schaduwkanten van de roem, versterkte hij het beeld van de noodlottige held die achter de façade van het succes doodongelukkig was: “… Ik heb nog liever vijanden dan fans…”. Eén van zijn vrienden: “… Natuurlijk cultiveerde hij zijn depressies, maar zijn persoonlijkheid was ook werkelijk te complex om van zijn succes te kunnen genieten…”. En even verder: “… Hij wist dat het allemaal onzin was. Hij was op een gegeven moment echt heel groot, hij had zijn eigen boeken, zijn eigen geld, zijn eigen programma. En dan zie je wat voor onzin het eigenlijk allemaal is. Het is niets…”. In zijn dagboek gebruikt Büch ongeveer dezelfde woorden: “… Ik vind ‘het leven’ regelrechte onzin. Er is voor mij niets meer om naar te verlangen…”. Eva Rovers: “… Rijk en beroemd of niet – hij bleef, zoals Bob Dylan zong, ‘tangled in blue’…”. Voor mij bewaarheidt Büch als geen ander de onderhand bijna clichématige uitspraak van Augustinus: “… Onrustig is ons hart tot het rust vindt in U, oh God…”. Hier beneden is het niet.

Uitgave: Prometheus – 2016, 574 blz., ISBN 978 903 513 742 4, € 29,90
Rechtstreeks bestellen: klik hier

vrijdag 30 december 2016

Drugs in het Derde Rijk – Norman Ohler


Je zou denken dat onderhand alles wat er over de Tweede Wereldoorlog te weten valt wel is uitgeplozen en opgeschreven. Toch komt de Duitse onderzoeksjournalist Norman Ohler (1970, studeerde culturele wetenschappen en filosofie) met nieuwe inzichten op de proppen in “Drugs in het Derde Rijk”. Er was wel wat bekend over het drugsgebruik tijdens de oorlog, maar tot nog toe is er nooit zo’n veelomvattend en diepgaand onderzoek gepubliceerd als dat van Ohler. Het is een waanzinnig verhaal over hoe een junk als Hitler zichzelf en de halve wereld naar de ondergang hielp. En wat mij betreft eigenlijk ook de enige bevredigende uitleg om zoiets buitenproportioneels als Hitler-Duitsland te verklaren. Sieg high…

Breaking bad

Er is nooit veel naar de rol van drugs gezocht in verband met het Derde Rijk omdat dat wel het laatste is wat je verwacht aan te treffen in het ‘zuivere’ bloed van het Arische ras. Bovendien ligt de informatie verspreid over verschillende moeilijk inzichtbare archieven in Duitsland en de Verenigde Staten. Ohler schreef zijn eigen ‘Breaking Bad’, maar dan op staatsniveau en echt gebeurd. Hij vertelt hoe Duitsland na de Eerste Wereldoorlog geen kolonieën meer bezat waar het stimulerende stoffen als koffie, thee, peper en geneeskrachtige kruiden en specerijen vandaan kon halen, zodat het land wel gedwongen was kunstmatige producten te ontwikkelen. Het opleidingsniveau aan de universiteiten en technische hogescholen was het hoogste ter wereld en niemand keek om naar de grondstoffen die werden ingevoerd. Zo ontstond tussen Oberursel en het Odenwald een ‘Chemical Valley’: “… De jonge republiek baadde in de bewustzijnsveranderende en roesopwekkende middelen, leverde heroïne en cocaïne aan alle windstreken en ontwikkelde zich tot de dealer van de wereld…” (in eerste instantie vooral vanwege medische toepassingen). Ohler vertelt in prettig korte hoofdstukjes, waaronder één over de metropool Berlijn (zie ook 'Berlin Alexanderplatz' van Alfred Döblin), waar alle bekende soorten doping zonder recept op iedere straathoek verkrijgbaar waren. Naar verluidt was 40 procent van de Berlijnse artsen verslaafd aan morfine. Sommige nachtclubs verstrekten hun gasten bij de ingang maskers om de anonimiteit te garanderen en iemand als toneelspeelster en danseres Anita Berber, “… doopte al bij het ontbijt witte rozenblaadjes in een cocktail van chloroform en ether en likte ze daarna af: wake and bake…”. Het nationaal-socialisme kan zeker gezien worden als een reactie op deze losbandige decadentie. Ze verafschuwde de verloederde toestanden in de ‘Jodenrepubliek’, en beloofde het volk hun eigen ideologische ‘Heilung’. De transcendente roes van geestdriftig enthousiasme en hysterie: populistische argumenten, fakkeloptochten, vlaggenceremonies, bevlogen demonstraties en openbare toespraken die een collectieve toestand van extase opriepen. Daar kwam later de ‘geweldsroes’ bij. De nationaalsocialisten haatten drugs omdat ze zelf als een drugs wilden werken.

Lebensraum

Hitler stond als vegetarische geheelonthouder op een voorbeeldig voetstuk. Hij voerde een draconisch antidrugsbeleid in waardoor ernstige drugsverslaafden als geesteszieken geëuthanaseerd konden worden. Zijn eigen drugsverslaving begon met een darmbehandeling van ene dokter Morell, een jetset-arts waarover het spottende praatje rondging dat hij vooral niet-bestaande ziekten behandelde. Zijn daadwerkelijke voorsprong op andere artsen bestond er in dat hij experimenteerde met vitamine-injecties, waarover nog niet zoveel bekend was. Tijdens een etentje ontmoette hij Hitler, die vertelde dat hij sinds jaar en dag gekweld werd door maag- en darmproblemen. Hij leed honger omdat hij na een rijke maaltijd steevast last kreeg van winderigheid en jeukend eczeem aan zijn benen. Morell geloofde dat de Führer een abnormale darmflora had, waardoor zijn stofwisseling in de war raakte. En Morell wist ook een remedie. Het preparaat Mutaflor, dat een vriend van hem had ontwikkeld uit een bacteriestam in de darmflora van een soldaat, die in tegenstelling tot veel van zijn kameraden de oorlog in de Balkan probleemloos had overleefd. Deze levende bacterieën zaten in capsules. Ze nestelden zich in de darm en overwoekerden binnen no time de ziekmakende bacterieën. Een logica die voor Hitler zo klaar als een klontje moet zijn geweest: een lichaamsproces dat een strijd om ‘Lebensraum’ inhield. Hitler werd beter, en Morell werd zijn lijfarts, die hem al gauw dagelijks volpompte met experimentele krachtinjecties die onder andere druivensuiker, dierlijke hart- en leverextracten, jodium en vitaminen bevatten. Morell profiteerde van zijn positie door een vitaminepreparaat op de markt te brengen: Vitamultin. Als de Führer bij het product zweerde zouden anderen ongetwijfeld volgen. Dat zag hij mooi goed. Het lukte hem in de loop der jaren per telefoon een groots medicijnenimperium op te bouwen.

Powerbonbons
Niet alleen Hitler werd opgepept, maar het hele volk. Er kwam een nieuw vitaliserend middel op de markt van de firma Temmler dat niet verboden was: Pervitin. Een methamfetamine die tegenwoordig bekend staan als crystal meth. Binnen de kortste keren gebruikte werkelijk iedereen het, van hoog tot laag, van jong tot oud, van rijk tot arm. Het gaf je een gevoel van euforie, van lichtheid en frisheid: “… Er gaat een neuraal vuurwerk af en een biochemische machinegeweer schiet ononderbroken gedachten in het rond…”. Neerslachtigheid verdween als sneeuw voor de zon. Zware geestelijke en/of lichamelijke arbeid werd een fluitje van een cent. Je had geen slaap nodig. Je werd er slank van want het remde je eetlust. Frigide vrouwen kregen zin in seks – wat wil je nog meer: “… Het indicatiegebied was inmiddels oeverloos uitgebreid. Voor ondersteuning bij de bevalling, tegen zeeziekte, hoogtevrees, hooikoorts, schizofrenie, angstneurosen, depressie, lusteloosheid, hersenstoornissen: ongeacht waar de schoen wrong bij de Duitsers, er werd steeds routinematiger naar het blauw-wit-rode buisje gegrepen…”. Voor de dames kwamen er zelfs bonbons met Pervitin op de markt. Een beetje power kon het Duitse volk dan ook wel gebruiken, want: “… Ten tijde van de machtsovername door de nazi’s waren zes miljoen mensen werkloos en telde het leger niet meer dan honderdduizend slecht bewapende soldaten. In 1936 was er ondanks de nog steeds voortdurende wereldwijde crisis sprake van vrijwel volledige werkgelegenheid, terwijl de Wehrmacht was uitgegroeid tot een van de sterkste legers van Europa…”.

Methamfetaminemars
Ohler vertelt hoe de krankzinnige ‘Blitzkrieg’ waarbij de Duitsers als niet te stoppen hellehonden via België en Frankrijk doorstootten naar de Atlantische Oceaan, draaide op Pervitin. De Duitse Wehrmacht was het eerste leger ter wereld dat een chemische drug inzette. Vergeleken bij de geallieerden waren ze ver in de minderheid qua manschappen en materiaal. Maar de soldaten bleken ongevoelig voor gevaar en konden nachtenlang doorgaan zonder vermoeid te raken. Steeds waren ze het Franse leger ver vooruit. Waar ze verwacht werden op te duiken, bleken ze allang weer weg te zijn. Zelfs dictator Hitler werd het te gortig. De touwtjes waren hem uit handen genomen door de zelfstandig opererende tankgeneraals, wat hij niet kon verkroppen. Vlak voor Duinkerken gaf hij zijn leger het geschifte bevel te stoppen, waardoor het Britse wereldrijk op een haar na aan de ondergang ontkwam. Met lede ogen zagen de Duitse soldaten aan hoe meer dan 340.000 Britse, Franse en Belgische militairen ontsnapten naar Engeland op alles wat kon varen. Ohler vertelt over de losgeslagen veldmaarschalk Rommel, over de aan morfine verslaafde rijksmaarschalk Göring die zo nu en dan rondliep met een geschminkt gezicht en roodgelakte vingernagels en de rijksluchtvaartminister Udet, “… die erom bekendstond dat hij zijn bezoek elk moment van de dag op cognac trakteerde en bergen methamfethamine gebruikte om de uitwerking van de alcohol te compenseren…”. Hij “… was zelfs binnen het inefficiënte luchtvaartministerie berucht om zijn onvoorstelbare wanbeleid…”. Hoezo Duitse Gründlichkeit und Ordnung!? Toen de negatieve gevolgen van het Pervitin-gebruik zich aandienden – hoe langer men methamfetamine gebruikt, hoe minder dopamine en serotine er in de hersenen vrijkomen, hoe lustelozer en depressiever men raakt als de drug is uitgewerkt – werd de volksspeed officieel tot verdovend middel verklaard. De Duitsers merkten het rigoureuze verbod nauwelijks op, laat staan dat het werd nageleefd.

High Hitler
Toen Hitler zijn beroemde ‘Operatie Barbarossa’ opstartte tegen Rusland begon Morell hem in zijn Führerbunker, de Wolfsschanze in Polen, preventief met regelrechte doping in te spuiten: steroïden en hormonen. Hitler’s vervreemding van de wereld, zijn cocongedrag en fixatie op volkerenmoord traden pas echt aan het licht toen hij zijn commandopost verhuisde naar Oekraïne, Werwolf gedoopt. Zelfs bij het mooiste weer bleven de ramen gesloten van zijn vochtige, met ranzige lucht gevulde bunker. En de gordijnen dicht. Hitler kwam alleen nog naar buiten als het donker was. Naarmate het Rode Leger succesvoller werd maakte Hitler zich meer en meer van de werkelijkheid los om zich in zijn fantasiewereld te begeven: “… Hitler hield eindeloze debatten, zenuwslopende monologen tot in de vroege ochtenduren en verkondigde regelrechte onzin…”. In 1943 begon Morell met het injecteren van het verdovende Eukodal: “… Het middel was bijna dubbel zo pijnstillend als morfine en stak die naar de kroon als meest geliefde remedie, maar dan vooral omdat dit oertype van de designerdrug ook zeer snel een euforie kon opwekken die duidelijk sterker was van die van heroïne, zijn farmacologische neefje…”. Niemand kwam door de drugswal rond Hitler heen. Zelfs een terneergeslagen Mussolini werd door de kunstmatig opgepepte Führer regelrecht tegen de muur gepraat. Ook Hitlers bezoekers hadden steeds zwaardere drugs nodig om de druk tijdens de besprekingen te doorstaan. Prachtig beschrijft Ohler de sfeer in de Berghof (1944): “… Er hingen camouflagenetten over het beroemde panoramavenster, uit permanente vrees voor luchtaanvallen; alle aanwezigen vegeteerden in het eeuwige schemerlicht, zaten op de banken rond de kachel of staarden vanuit dure zetels naar de stof verzamelende wandkleden: vampierachtige gestalten die het daglicht moesten mijden…”. Toen Hitler tijdens een aanslag op zijn leven zijn trommelvliezen scheurde kreeg hij regelrecht cocaïne toegediend van een KNO-arts. De woorden ‘ijzeren energie’ en ‘wil’ die Hitler zichzelf pochend toeschreef hoeven slechts vervangen te worden door ‘Eukodal’ en ‘cocaïne’ om de waarheid een stuk nader te komen, aldus Ohler. Verdovende middelen bevestigden Hitler in zijn totalitaire waansysteem betreffende het stichten van een Germaans wereldrijk: “… Hitler handelde in een chronische bedwelming en draafde als een gedrogeerde topatleet die niet meer van ophouden wist zonder omkijken door naar de onvermijdelijke instorting…”.

Drugsdämmerung

Aangezien is aangetoond dat twee derde van degenen die excessief crystal meth gebruiken na drie jaar aan psychoses lijden, kan er van worden uitgegaan dat er in de laatste oorlogsmaanden sprake moet zijn geweest van massale psychotische bijwerkingen. De Duitse marine bleef tot het eind toe zoeken naar een wonderdrug waardoor de bestuurders van éénpersoonsgevechtsbootjes nachtenlang wakker konden blijven. Meestal bestond de bemanning uit jongens die niet ouder waren dan een jaar of vijftien, zestien. Sommigen waren pas elf. De energiepillen werden uitgeprobeerd op concentratiekampbewoners die wel vaker functioneerden als proefkonijn. Bijvoorbeeld om schoenen te testen. Het leer was schaars geworden dus werd er gezocht naar andere materialen voor schoenzolen. Ook werd er gezocht naar drugs die de mentale reserves wegnam in verband met ondervragingen. Ohler eindigt zijn verhaal met de jammerlijke afkickverschijnselen die Hitler produceerde in zijn Berlijnse bunker, waar geen opwekkende middelen meer beschikbaar waren, en hij uiteindelijk zelfmoord pleegde: “… Nu viel zijn tandglazuur uiteen, het mondslijmvlies verdroogde en zijn geruïneerde tanden vielen uit. Zijn door neurotoxinen onherstelbaar aangetaste brein kreeg geen nieuwe stimulansen meer en had alle receptoren uitgeschakeld waarop de transmitters hadden kunnen inwerken – en dus werkte niets meer en bleven alleen de oude wanen zich eindeloos herhalen: achtervolgingsangst, paniek vanwege rode puistjes, vanwege de Joden, vanwege de bolsjewisten. Hij kreeg afschuwelijke hoofdpijnen en begon op een agressieve, nerveuze manier met een gouden pincet zijn gelige huid te doorboren om de bacterieën te verwijderen die door de vele injecties in zijn lichaam waren beland, in zijn systeem waren binnengedrongen en hem nu van binnenuit verteerden. Morell probeerde een aderlating om de patiënt enige verlichting te verschaffen, maar het bloed was door de vettige, met hormonen verzadigde varkensleverinjecties zo dik als gelei en stolde onmiddellijk. De behandeling faalde en Hitler merkte met een laatste oprisping van galgenhumor op dat er nu hoogstens Führerbloedworst van gemaakt kon worden…”.
In een slotbeschouwing vertelt ene Stephen Snelders dat destijds ook in Nederland Pervitin in het alledaagse leven een geaccepteerd middel was en dat tot in de jaren zestig zou blijven: “… Mogen we recent onderzoek geloven, dan hielp het middel koningin Wilhelmina haar oorlog te strijden vanuit Londen…”.

Uitgave: Luitingh-Sijthoff – 2016, vertaling Roelof Posthuma, 383 blz., ISBN 978 902 457 226 7, € 19,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 21 december 2016

De kinderwet – Ian McEwan


Met een leesclub bespraken we “De kinderwet”, een subtiel en respectvol drama over een familierechter op leeftijd, die moet beslissen over het al dan niet toedienen van een geweigerde maar noodzakelijke bloedtransfusie aan een jonge Jehova’s getuige. Van de Britse schrijver Ian McEwan (1948, won in 1998 de Man Booker Prize met "Amsterdam").

De boomloze heide van andermans problemen

Terwijl rechter Fiona Maye zich op een zondagavond beroepsmatig voorbereidt op de komende week komt haar man van bijna zestig haar vertellen dat hij ontevreden is met hun seksleven en nog één keer wil vlammen voor hij oud wordt. Niet met haar, want zij heeft toch nooit tijd en zin, maar met een vrouw die hun dochter had kunnen zijn. Of ze na vijfendertig jaar kinderloos huwelijksgeluk kan instemmen met een ‘open’ relatie. Alles in haar steigert, maar de kwestie wordt niet uitgepraat want de telefoon gaat: ‘saved by the bell’. Haar griffier. Een ziekenhuis vraagt zo snel mogelijk gerechtelijke actie vanwege een ernstig zieke jongen die een bloedtransfusie weigert. Hij en zijn ouders zijn Jehova’s getuigen. Hun geloof verbiedt hen bloed van anderen te gebruiken. De jongen is bijna achttien, dus nog minderjarig. Terwijl ze in gesprek is loopt haar man de kamer uit: “… Het vertrek van Jack stoorde haar niet. Ze waren met hun woordenwisseling op weg geweest naar ondraaglijke openhartigheid. Ze kon niet ontkennen dat ze opgelucht was om op de neutrale grond, de boomloze heide van andermans problemen te zijn beland…”. Ze gaat met de Jehovazaak aan de slag zodat ze de volgende dag beslagen ten ijs kan komen. Als ze klaar is en naar het raam van hun appartement loopt ziet ze haar man met een koffer in de auto stappen…

Altijd weer die godsdienst!
Even terzijde: seks is ook wel het laatste waar Fiona de laatste tijd aan denkt. Ze is absoluut niet de koele kikker die ze in de rechtszaal lijkt. In haar nachtmerries wordt ze achtervolgd door ingrijpende rechtszaken die ze niet uit haar hoofd kan zetten. Moeders die vechten met strenggelovige islamitische en Joodse vaders om hun kinderen een vrije opvoeding te geven. Een Siamese tweeling waarvan maar eentje levensvatbaar blijkt. Om God niet in het vaarwater te zitten zijn de gelovige ouders tot en met de rooms-katholieke aartsbisschop van Westminster van mening dat beiden moeten sterven. Eerlijk gezegd lijkt mij dat persoonlijk een nogal overtrokken standpunt. Zowel de protestantse kerk als het Joodse geloof geven bij mijn weten altijd voorrang aan het leven – zie bijvoorbeeld Deuteronomium 30:19 “… leven en dood stel ik u voor, de zegen en de vloek, kies dan het leven…”, wat Jezus later in het Nieuwe Testament bekrachtigt door bijvoorbeeld verhalen over het redden van een schaap uit een put en over het eten van graankorrels op de Sabbat (het is voor orthodoxe Joden streng verboden werk te verrichten op Sabbat). Enfin; een waar mediacircus is het gevolg. Altijd weer die godsdienst!

Liefde herzien tot waan

Bepaald indrukwekkend schrijft McEwan bij monde van Fiona over de hausse aan gebroken gezinnen in onze moderne wereld. In de zomer van 2012 lijkt “… de afbraak en ellende tussen echtelieden of partners…” te zijn aangezwollen “…als een grillig springtij, dat hele huishoudens wegvaagde en waardoor bezittingen en hoopvolle dromen vervlogen en degenen zonder een krachtig overlevingsinstinct verdronken…”. Over de kinderen die altijd weer de dupe zijn: “… Pionnen in een spel, onderhandelingsfiches ingezet door moeders, voorwerp van financiële of emotionele verwaarlozing van vaders, voorwendsel voor echte of gefantaseerde of cynisch verzonnen beschuldigingen van misbruik, meestal door moeders, soms door vaders, verdoofde kinderen die in co-ouderschapsregelingen wekelijks tussen huishoudens op en neer pendelden, kwijtgeraakte jassen of etuis waarmee advocaten elkaar vinnig om de oren sloegen, kinderen die maar een- of tweemaal per maand hun vader mochten zien, of nooit, want de daadkrachtigste mannen verdwenen in de smidse van een vurig nieuw huwelijk om daar nieuw kroost te smeden…”. Diep in haar hart koestert Fiona een “… puriteinse minachting voor de mannen en vrouwen die hun gezin uiteenrukten en zichzelf wijsmaakten dat ze onbaatzuchtig en naar beste weten handelden…”. Haar oordeel: “… Pure genotzucht. Morele kitsch…”. Haar ervaring:
“… Liefdevolle beloften werden ontkend en herschreven, eens gemakkelijke kompanen werden listige strijders, verscholen achter advocaten en zonder enig besef van de kosten. Eens veronachtzaamde spullen in huis werden nu verbitterd betwist, eens gemakkelijk vertrouwen maakte plaats voor zorgvuldig verwoorde ‘regelingen’. In gedachten herschreven de hoofdrolspelers de geschiedenis van het huwelijk zodanig dat het altijd al een verloren zaak geweest was, liefde werd herzien tot waan…”. En vlak de rol van geld niet uit: “… De nieuwe valuta waren halve waarheden en verdraaiingen. Hebzuchtige mannen tegenover hebzuchtige vrouwen, manoeuvrerend als landen die aan het einde van een oorlog elke mogelijke buit inpikten voor ze zich voorgoed uit de puinhopen terugtrokken. Mannen en vrouwen die hun geld naar buitenlandse rekeningen sluisden, vrouwen die voor altijd een lekker leventje verlangden…”. Het gaat maar door:
“… Moeders die kinderen beletten hun vader te zien, ondanks gerechtelijke bevelen, vaders die verzuimden hun kinderen te ondersteunen, ondanks gerechtelijke bevelen. Mannen die vrouw en kinderen sloegen, vrouwen die logen en haatdragend waren, een van beide partijen – of allebei – die dronk of aan de drugs of psychotisch was, en telkens weer kinderen, gedwongen om een asociale ouder te verzorgen, kinderen die serieus misbruikt werden, seksueel, geestelijk, allebei, met de bewijzen die op een scherm in de rechtszaal werden getoond. En buiten bereik van Fiona, in zaken die eerder aan de strafrechter dan aan de familierechter voorbehouden waren, kinderen die gemarteld, uitgehongerd of doodgeslagen waren, boze geesten die in animistische rituelen uit hen waren geranseld, afgrijselijke jonge stiefvaders die peuters hun botten braken terwijl wezenloze moeders toekeken, en drugs, drank, extreem smerige huishoudens, onverschillige buren die selectief doof waren voor het geschreeuw, en achteloze geïntimideerde maatschappelijk werkers die verzuimden in te grijpen…”. Ondertussen is Jack ook weg. Nu schuifelt Fiona zélf mee in het leger der verlatenen.

Welzijn van het kind voorop
De zaak tegen de Jehova getuige wordt gedetailleerd omschreven. De ouders van de jongen komen aan het woord, zijn arts, een maatschappelijk werkster, advocaten van beide kanten en andere rechtskundigen. Godsdienstvrijheid weegt zwaar. Uiteindelijk neemt Fiona het ongebruikelijke besluit de jongen zelf op te gaan zoeken in het ziekenhuis om zich een mening over hem te kunnen vormen. Het is aan haar om hem te verlossen of over te leveren aan de overtuiging van zijn sekte. Zijn charme en intelligentie overrompelen haar. Toch kan ze niet anders dan hem tegen zichzelf beschermen naar aanleiding van Artikel 1 (a) uit de Kinderwet van 1989 die aldus luidt: “… Als een rechter oordeelt over enig vraagstuk inzake … een opgroeiend kind … dan zal deze rechter het welzijn van het kind vooropstellen…”.

Professionele en sociale waanzin
Na een tijdje komt Jack met hangende pootjes terug. Als twee wantrouwende katten draaien hij en Fiona om elkaar heen, zich constant bewust van elkaars ‘radioactieve’ aanwezigheid. Als de Jehova-zaak lang en breed achter de rug is, komen er brieven van de jongen die Fiona onbeantwoord laat en wordt ze door hem gestalkt. Het blijkt dat zijn ontmoeting met haar zo heeft doorgewerkt dat hij zich van de Jehova’s heeft gedistantieerd. Zijn gedrag wordt steeds extremer. Als Fiona een toer langs verschillende buitengebieden maakt om ter plaatse recht te spreken, staat hij in hevig noodweer ineens doornat in het conferentieoord waar ze verblijft. Zijn extatische vraag: of hij niet bij haar kan komen wonen. Dan kan ze hem wegwijs maken in het seculiere denken. Hij lijkt haar te hebben uitverkoren als zijn persoonlijke goeroe. Fiona reageert eveneens buitenproportioneel. Voor ze hem in een taxi wegstuurt drukt ze een kus op zijn lippen. Een impulsieve daad die ze later betreurt als ‘professionele en sociale waanzin’. Het verhaal vond ik in die zin voorspelbaar, dat je als lezer als het ware voélt, dat dit wel fout moét aflopen.

Een hart met bezemen gekeerd
Daarop stuurt de Jehova-jongen haar een halfbakken onafgemaakt gedicht waarin hij haar kus een ‘judaskus’ noemt. Het is duidelijk dat hij zich verraden voelt. Ooit las ik in een artikel in Psychologie Magazine dat verraad ongeveer de sterkste emoties oproept die menselijkerwijs mogelijk zijn. Met andere woorden: verraad is zelden tot nooit meer goed te maken. Fiona is een verdienstelijk pianiste. Tijdens een concert waarin ze de sterren van de hemel speelt dringt de vreselijke betekenis van het gedicht tot haar door: Judas pleegde zelfmoord. Als ze de maatschappelijk werkster die haar in de Jehova-zaak bijstond opbelt blijkt de Jehova-jongen al vier weken dood te zijn. Hij moet in een gat zijn gevallen. Hij “… zocht zijn heil bij haar en zij bood niets in de plaats voor de godsdienst, geen bescherming…”. Het boek lijkt me bijna illustrerend voor de uitspraak van Jezus over dat je wel een duivel uit iemand kunt drijven, maar als daar niets voor in de plaats komt en die duivel bij terugkeer het hart van die mens schoon en leeg terug vindt, hij er wederom zijn intrek in zal nemen terwijl hij zeven anderen meeneemt, zodat die mens er uiteindelijk nog slechter aan toe is dan in het begin (Lukas 11: 24-26).

Uitgave: De Harmonie – 2014, vertaling Rien Verhoef, 205 blz., ISBN 978 907 617 438 9, € 22,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier