Menu

maandag 27 maart 2017

Zijde – Alessandro Baricco


Ik ben ontzettend blij dat er af en toe herdrukken komen van bijzondere boeken: dat geeft mij een reden om ze te herlezen. Neem “Zijde” dat in 1998 uitgeroepen werd tot Booksellers International Book of the Year. Alessandro Baricco (Turijn, 1958) over de sprookjesachtige novelle waarmee hij voorgoed zijn naam als internationale bestsellerauteur vestigde: “… Dit is geen roman. En ook geen verhaal. Dit is een geschiedenis…”. En even verder: “… Je zou kunnen zeggen dat het een liefdesgeschiedenis is. Maar als het niet meer was dan dat, zou het niet de moeite waard zijn haar te vertellen. Er komen verlangens in voor, en pijnen, die je heel goed kent, maar je hebt er geen echte naam voor om ze mee aan te duiden. Maar het is in ieder geval niet ‘liefde’. (Dat is al van oudsher zo. Als je geen naam hebt om de dingen mee te benoemen, dan gebruik je er een geschiedenis voor. Zo werkt dat. Al eeuwenlang.)…”. Bovendien heeft iedere geschiedenis haar eigen muziek - zie mijn vorige blog over “We hadden liefde, we hadden wapens”: ”… Deze geschiedenis heeft een witte muziek. Dit is belangrijk om te zeggen, want witte muziek is vreemde muziek, soms raak je ervan in de war: zij wordt zachtjes gespeeld, en er wordt langzaam op gedanst. Als ze haar goed spelen, is het alsof je hoort hoe de stilte gespeeld wordt, en als je kijkt naar degenen die erop dansen alsof hun leven ervan afhangt, lijkt het wel of ze stilstaan. Het is verdomd lastig, witte muziek…”. En, oh ja, “… Misschien is het goed om te verduidelijken dat het om een negentiende-eeuwse geschiedenis gaat: dan hoeft niemand vliegtuigen, wasmachines en psychoanalisten te verwachten. Die komen er namelijk niet in voor. Misschien een volgende keer…”.
Wat deze heruitgave zo ongelooflijk mooi maakt zijn de tekeningen van Rébecca Dautremer. Ik heb er een paar van in mijn verhaal gezet: ik weet niet of dat mag, maar dat hoor ik ongetwijfeld vanzelf wel.


Mannenzaken

Baldabiou is de man die het leven van Hervé Joncour totaal verandert. Op een dag was hij het dorp Lavilledieu (Zuid-Frankrijk) in komen struinen, had zich rechtstreeks naar het kantoor van de burgermeester begeven, een avondrode sjaal van zijde op zijn bureau uitgespreid en hem gevraagd: “… ‘Weet u wat dat is?’ ‘Vrouwenzaken.’ ‘Mis. Mannenzaken: geld.’…”. De burgermeester liet hem eruit gooien. Na zeven maanden waarin hij een goedlopende zijdespinnerij op poten wist te zetten kwam hij weer bij de burgermeester langs en legde hij dertigduizend franc in coupurus op zijn bureau:
“… ‘Weet u wat dit is?’ ‘Geld.’ ‘Mis. Het is het bewijs dat u een grote sukkel bent.’…”. Zo’n vent dus. Helaas begon een epidemie de Europese productie van zijderupseneieren aan te tasten. Baldabiou was niet van mening dat het probleem moest worden ‘opgelost’, maar ‘omzeild’. Zijn oog viel op de zoon van de burgemeester, Hervé Joncour, die werd klaargestoomd voor een briljante carrière in het leger, “… ‘als God en Sint Agnes het willen’…”, aldus de burgemeester. “… ‘Precies. Alleen is God al ergens anders bezig en Sint Agnes verafschuwt militairen.’…”, aldus Baldabiou. Een maand later vertrok Hervé Joncour op een boot naar Egypte om zijderupseieren te kopen. En een tijd daarna - het is 1861 om precies te zijn, Hervé Joncour is inmiddels getrouwd met Hélène, een lange, zich traag bewegende vrouw die haar zwarte haar nooit op haar hoofd bijeenbindt en een prachtige stem heeft, ze hebben geen kinderen – vertrekt hij op expeditie naar het geheimzinnige land van de zijderups: Japan.


Kostbaar dier
De zich vier maal herhalende tocht wordt steeds in dezelfde bezwerende cadans van woorden omschreven: “… Hij stak de grens over bij Metz, reisde dwars door Württemberg en Beieren, kwam aan in Oostenrijk, bereikte per trein Wenen en Boedapest om zijn reis direct door te zetten naar Kiev. Hij doorkruiste te paard tweeduizend kilometer Russische steppe, stak het Oeralgebergte over, kwam in Siberië, reisde veertig dagen lang totdat hij het Bajkalmeer bereikte…”. Alleen noemen de mensen die plek telkens anders: ‘de zee’, ‘de duivel, ‘de laatste’ en ‘de heilige’. Dan gaat het in een betoverend ritme aldus verder: “… Hij volgde de loop van de rivier de Amoer stroomafwaarts, waarbij hij tot aan de Oceaan langs de Chinese grens reisde, en toen hij bij de Oceaan aankwam bleef hij elf dagen in de haven van Sabirk, totdat een schip van Hollandse smokkelaars hem naar Kaap Teraya voerde, aan de westkust van Japan. Te voet, over kleine weggetjes, reisde hij door de provincies Ishikawa, Toyama, Niigata, kwam aan in Fukushima en bereikte de stad Shirakawa, trok er langs de oostkant omheen…”, om vervolgens twee dagen op een in het zwart geklede man te wachten die hem blinddoekt en hem naar een dorpje brengt waar hij onderhandelt met zwijgzame types over de aankoop van zijderupseieren. Als hij voor de eerste keer met zijn bemachtigde schat huiswaarts wil keren wordt hij tegen gehouden door iemand die hem naar een zeer machtig heerschap brengt: ‘de meest ongrijpbare man van Japan’, ‘de meester van alles wat de wereld kon wegslepen van dat eiland’. Een roerloze vrouw ligt languit naast hem, met haar hoofd in zijn schoot, haar ogen gesloten, haar armen verborgen onder haar wijde rode jurk die als een vlam om haar heen ligt. “… Hij streek langzaam met zijn hand over haar haren: het leek of hij de vacht van een kostbaar dier aaide, dat lag te slapen…”. Terwijl Hervé Joncour probeert te vertellen wie hij is en wat hij doet, opent de dame haar ogen ‘die geen oosterse tint hebben’ en staart ze hem met een blik vol ‘verwarrende intensiteit’ aan. Voor hij het weet is het kwaad geschied: hij is voor altijd in haar ban. De heer laat hem gaan met de uitnodiging nog eens terug te keren. Steeds zal Hervé Joncour op de eerste zondag van april thuis aankomen, precies op tijd voor de hoogmis: “… Voor zijn vrouw Hélène bracht hij een zijden gewaad mee, dat zij uit schaamte nooit aandeed. Als je het tussen je vingers hield, was het alsof je niets vasthad…”.


Er bestaan geen blanke vrouwen in Japan
Op zijn volgende reis ontmoet hij de machtige heer bij een meer. Naast hem ligt een oranje japon en twee strooien sandalen. In het water miniscule golfjes. Even tevoren had Hervé Joncour tussen de struiken door nog een glimp opgevangen van de vrouw die naast hem zat. Onmerkbaar laat Hervé Joncour zijn handschoen naast de japon vallen. Aan tafel vraagt hij een andere gast, een Engelse wapenhandelaar, naar de jonge, Europese vrouw: “… De Engelsman at onverstoorbaar door. 'Er bestaan geen blanke vrouwen in Japan. Er is geen enkele blanke vrouw in Japan.'…”. Op zijn laatste avond, tijdens het badritueel, wordt er een natte doek op zijn ogen gelegd. Het zijn geen oude vrouwen die zoals gewoonlijk met hem bezig gaan, maar jonge handen die hem subtiel en delicaat aanraken en uiteindelijk een opgevouwen briefje toestoppen (zie ook “1984” van George Orwell). Hij kan de tekst niet lezen. Als hij thuis is gaat Hervé Joncour op aanraden van Baldabiou op zoek naar een stoffenwinkel annex bordeel in Nîmes dat van een rijke Japanse zou zijn. Ze vertaalt voor hem: ‘Kom terug, of ik ga dood’. Als hij wat bankbiljetten op tafel legt om haar te bedanken zegt ze kil: “… ‘Laat toch zitten.’ Hervé Joncour aarzelde een ogenblik. ‘Ik heb het niet over het geld. Ik heb het over die vrouw. Laat toch zitten. Ze gaat heus niet dood, en dat weet u ook.’…”.
Ondanks dat de jonge bioloog Louis Pasteur buitengewone resultaten boekt op het gebied van het bestrijden van zijderupsziektes en er verontrustende berichten uit Japan de kop op steken over een op handen zijnde burgeroorlog, gaat Hervé Jancour voor de derde keer op reis. Hij ontmoet de vrouw en even later haar heer bij een reusachtige volière (de Japanse uitdrukkingsvorm voor waanzinnige liefde), waarvan de deuren openstaan en alle exotische vogels ontsnappen. “… Ze komen wel weer terug. Het is altijd moeilijk om weerstand te bieden aan de verleiding terug te keren, nietwaar?’…”, zegt de heer. Hij wordt uitgenodigd op een feest, waar de vrouw en Hervé Joncour elkaar ieder vanuit een tegenovergestelde hoek van de kamer duizend keer zoeken met droevige ogen. Uiteindelijk loopt hij weg, zwerft een tijd door het dorp, en brengt de vrouw hem een mooi meisje met wie hij plaatsvervangend het bed deelt: het is toch donker. De volgende dag zijn de vrouw en haar heer verdwenen, zitten de tropische vogels weer achter slot en grendel, besluit Hervé Joncourt huiswaarts te keren, lost hij in het bos ten lange leste nog zes schoten waardoor een zwerm zwarte vogels zich als een rookwolk verschrikt in de lucht oplost, en bij terugkomst is zijn wettige echtgenote zoals altijd zielsgelukkig hem weer te zien.


Liefdesbetuiging
Even later koopt hij een afschuwelijk huis van een inmiddels dode man die hem altijd heeft gefascineerd omdat hij op een gegeven moment ophield met praten. Waarom doe je zoiets? “… Misschien is het omdat het leven je soms op zo’n manier draait dat er gewoon niks meer te zeggen valt…”. Dat doet de schrijver wel vaker: mysterieuze personen opvoeren waarover later weinig tot niets wordt gezegd. Bijvoorbeeld: “… Hervé Joncour verkocht de twee spinnerijen voor een belachelijke prijs aan Michel Lariot, een goede man die twintig jaar lang domino had gespeeld, elke zaterdagavond, met Baldabiou, en altijd verloor, met bikkelharde standvastigheid. Hij had drie dochters. De eerste twee heetten Florence en Sylvie. Maar de derde: Agnes…”. En dan verder niets meer. Hervé Joncour ontwerpt een park met een volière. De uitleg aan zijn vrouw: “… Je stopt hem vol vogels, zo veel als je kunt, en dan, op een dag als je iets gelukkigs is overkomen zet je hem wijd open en kijk je hoe ze wegvliegen…”. Tijdens een plechtig diner wegens de zestigste verjaardag van een baron ziet Hervé Joncour zijn vrouw flirten met een knappe Engelsman. Dronken zegt hij tegen een Duitse kalverhandelaar die nauwelijks Frans spreekt: “… Ik moet u iets heel belangrijks mededelen, monsieur. We zijn allemaal walgelijk. We doen het allemaal fantastisch en we zijn allemaal walgelijk…”. En toch: “… Hervé Joncour en zijn vrouw vertoefden tot begin september aan de Rivièra. Ze verlieten de kleine villa met spijt, want tussen die muren was het lot om van elkaar te houden hen licht gevallen…”.
Dan begint hij aan zijn vierde reis. Als hij in het dorp aankomt waar de mooie vrouw met haar meester woont is alles plat gebrand. Een jongetje toont hem zijn ooit weggegooide handschoen en lokt hem naar een karavaan. Twee gewapende mannen brengen hem naar de meester die gevolgd wordt door een draagstoel waarin zijn droomvrouw moet zitten. De dag daarop vindt hij het jongetje terug, opgeknoopt aan een tak. De meester: “… ‘Japan is een oud land, weet u? Haar wet is oud: die zegt dat er twaalf misdaden zijn waarvoor het geoorloofd is iemand ter dood te veroordelen. En een daarvan is een liefdesbetuiging overbrengen van je meesteres.’ Hervé haalde zijn ogen niet van dat vermoorde jongetje af. ‘Hij had geen liefdesbetuiging bij zich.’ ‘Hij WAS een liefdesbetuiging.’…”. Of hij maar op wilde zouten en nooit meer terug komen…


Ze zeiden dat hij een oplichter was. Ze zeiden dat hij een heilige was.
Als Hervé Joncour thuis komt heeft hij geen rupseneieren bij zich. Hij schakelt het hele dorp in om zijn park aan te leggen: “… Ze werkten vier maanden lang. Eind september was het park klaar. Niemand in Lavilledieu had ooit iets dergelijks gezien. Ze zeiden dat Hervé Joncour er zijn hele kapitaal aan had gespendeerd. Ze zeiden dat hij anders was teruggekeerd, misschien wel ziek, uit Japan. Ze zeiden dat hij de eieren aan de Italianen had verkocht en dat er nu een vermogen aan goud op hem lag te wachten in de banken van Parijs. Ze zeiden dat het aan het park te danken was geweest dat ze niet waren gestorven van de honger, dat jaar. Ze zeiden dat hij een oplichter was. Ze zeiden dat hij een heilige was. Iemand zei: ‘Hij heeft iets over zich, als een soort ongelukkigheid.’…”. Zes maanden na zijn terugkeer ontvangt Hervé Joncour een brief met de post. Zeven blaadjes die eruit zien als een “… catalogus vol pootafdrukken van kleine vogeltjes, samengesteld met nauwgezette waanzin…”. Weer gaat hij naar de courtisane in Nîmes, om zich de brief te laten voorlezen. Nu wil natuurlijk iedereen weten wat er in staat, maar dat vertel ik niet. Echter, “… In de jaren die volgden koos Hervé Joncour voor zichzelf het zuivere leven van een man die geen behoeften meer had…”. Hervé Joncour lijkt me zo bij zo een nogal introvert mannetje. Al direct in het begin vermeldt de schrijver: “… Hij was overigens een van die mensen die hun eigen leven graag ‘bijwonen’, en elke ambitie om het te ‘leven’ oneigenlijk achten. Het zij opgemerkt dat dat soort mensen naar hun lot kijkt op de manier waarop de meesten gewoonlijk naar een regenachtige dag kijken…”. Hij leeft rustig verder met Hélène die uiteindelijk sterft aan een hersenontsteking. Een jaar na haar dood trekt hij zich dagenlang terug in zijn studeerkamer om na te denken over dingen die hij langzaam begint te begrijpen…


Uitgave: Davisfonds / Infodok – 2016, vertaling Manon Smits, 208 blz., ISBN 978 905 908 826 9, € 29,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 22 maart 2017

We hadden liefde, we hadden wapens – Christine Otten


Toen Christine Otten in 2008 voor NRC Handelsblad vanuit het bosrijke Idlewild (V.S.) - een klein dorpje in het noorden van Michigan waar tijdens de rassensegregatie welvarende zwarten stiekem stukjes land en vakantiehuizen konden kopen - een reportage schreef over de kandidaatstelling van Barack Obama, ontmoette ze Mabel Williams, de dan 77-jarige weduwe van de militante zwarte leider Robert F. Williams. In tegenstelling tot Martin Luther King die geweldloos verzet predikte, was Williams voor gewapende verdediging tegen blank geweld. Hij schreef er het boek “Negroes with Guns” over. Naar aanleiding van het verhaal van Mabel en de herinneringen van haar zoon John, die Otten introduceerde bij andere familieleden, vrienden en oud-medestrijdens uit de tijd van de rassenscheiding, schreef ze de prachtige, onderkoelde, van rhytm-and-blues zinderende roman “We hadden lief, we hadden wapens”. Eerder besprak ik van haar “Om adem te kunnen halen”.

Lay ma head on the track

In het boek worden driftige tijdsprongen van de één naar de ander gemaakt. De proloog verhaalt over een situatie waarin Williams zijn twee zoons van een jaar of tien, John en Bobby, met een paar vriendjes meeneemt naar een ijssalon om de gevestigde orde te provoceren. Zwarten worden geacht bij een luik in een steeg achter de winkel te bestellen. Ze gaan pontificaal aan een tafeltje zitten. Al gauw komt de politie opdagen: “… I’m goin’ down to the railroad, baby / Lay ma head on the track / I’m goin’ down to the railroad, baby / Lay ma head on the track- / But if I see de train a-comin’/ I’m gonna jerk it back…” (van de zwarte dichter Langston Hughes). Het voorval wekt niet te hanteren, tegenstrijdige gevoelens op bij John. Aan de ene kant trots, aan de andere kant paniek: “… ‘Ik haat papa’, zei ik…”. Waarom laat papa hen altijd in de meest moeilijke situaties belanden? Waarom kunnen ze niet een kalm leven leiden zoals de anderen? Dan flitst het verhaal even naar het hier en nu: 2014. John, inmiddels een al gepensioneerde, getrouwde, kinderloze dominee, ruimt, bestormd door herinneringen, de bungalow van zijn net overleden moeder op. Ze heeft hem vier rode Moleskine-notitieboeken gegeven en hem afgedwongen het verhaal van haar leven door te vertellen. Zodat het niet voor niets is geweest: “… Het is ook jouw verhaal, John…”. Hij wordt er wederom kriegelig van: zo vóelt het niét. Een zeventien-jarig meisje, kleindochter van een verzetsstrijder die hij zich nog wel kan herinneren, heeft in een mail om informatie gevraagd over de rassenrellen in 1961.Voor een werkstuk. Hij beseft dat hij niet met rust gelaten zal worden. Hij kan er maar beter aan wennen.

Op de grond
Zijn moeder is vijftien als de twintigjarige Robert Williams haar doodgemoedereerd staat op te wachten bij school: iets wat indertijd onbestaanbaar was. Ze vertelt hem over haar ouders. Haar moeder was dienstmeisje bij een vermogende familie. Mabel mocht de onbetaalbare jurken van de rijke dochter afdragen. Toen haar vader overleed werd er voor hen wel een mooi bakstenen huis gekocht, zodat mama bij de familie kon blijven werken, maar tegelijk kwamen bazin en dochter zonder te kloppen onverwachtst binnen zeilen en tilden ze zonder een woord te zeggen Mabels’ jurk op om te kijken of ze wel schoon ondergoed aan had. Ze herinnert zich hoe haar stiefvader achterna gezeten werd door zijn baas, met een touw om hem te lynchen, en dat ze toen halsoverkop zijn gevlucht. Robert Williams luistert geboeid. Ze weet niet dat hij bezig is de leden van de Klu Klux Klan uit het dorp te jagen. Zo gauw ze zestien is trouwen ze in het geheim. In de woonkamer van een predikant. Het huwelijk is onaantastbaar, niemand kan haar meer wat maken. Ze komt in het mannenhuishouden van Robert en zijn vader terecht. Er staan geladen geweren tegen de muur. Er is een kast met boeken waarin Robert constant zit te lezen als hij thuis is. Meestal is hij voor dag en dauw verdwenen. Waarheen is haar een raadsel. Schoonpapa vraagt of ze wel weet dat zijn zoon denkt dat hij de president van de Verenigde Staten kan worden. Hij vraagt aan haar hem ‘op de grond’ te houden. Ze zegt dat het wel goed komt, al heeft ze geen idee waar ze zich mee in heeft gelaten. Als ze zeventien is krijgt ze haar eerste kind: Bobby. Ze moet haar middelbare school nog afmaken. Een korte episode wonen ze in New York, waar Robert een cursus creatief schrijven krijgt aangeboden door linkse activisten. Hij gaat er één keer naar toe: “… Die gasten hebben nog nooit een fabriek vanbinnen gezien, Mabel. Die drinken cocktails in hun chique appartementen en fantaseren over arbeiders, schei toch uit…”. Als ze weggepest worden gaan ze terug naar waar ze vandaan komen: Monroe in het diepe Zuiden. Een jaar later wordt John geboren. Mama en zonen worden gedrie-en volwassen.

Schizofreen, bewapend en levensgevaarlijk

John vertelt dat hij vroeger wel eens van zijn opa een kwartje kreeg om naar de bioscoop te gaan. Zijn vader verbood dat omdat negers alleen op het krappe, bloedhete balkon mochten zitten. Zijn moeder werkte op de kraamafdeling in een ziekenhuis omdat zijn oproerkraaier van een vader nergens aan de bak kwam: “… Wat zij helemaal niet erg vond, volgens mij hield ze juist van haar werk, ze kwam altijd opgewekt thuis, al vond ze het wel oneerlijk dat de zwarte baby’s in de kelder van het ziekenhuis werden gelegd, in de ruimte waar de verwarmingsketels stonden en het altijd snikheet was en donker en vochtig, terwijl de witte baby’s boven in een frisse zonnige kamer lagen in wiegjes met spierwitte katoenen dekentjes…”. Hij herinnert zich een ritje op zondag waarbij ze op een Ku Klux Klan-bijeenkomst stuiten in het open veld. De politie die achter hen aankomt. En het gerel rond een openbaar zwembad waar zwarten worden geweerd. Zijn vader werkt voor de burgerrechtenbeweging NAAPC; maakt zich druk om van alles en nog wat. De opeenstapeling van geweld. Een zwart kamermeisje dat afgetuigd wordt door een witte hotelgast, een zwangere zwarte moeder die in het bijzijn van haar vijf kinderen wordt aangerand door een dronken witte monteur, twee kleine zwarte jongetjes die naar een tuchtschool worden gestuurd omdat ze ‘wie-wil-er-mij-een-kusje-geven’ hebben gespeeld met twee kleine witte meisjes. De brandende kruisen in de tuinen van hun ouders. De wapenkamer thuis. Zijn vader die zich in het openbaar uitlaat over het gebruik van wapens ter verdediging en daarvoor geschorst wordt door de NAAPC. De Ku Klux Klan die dreigt hun huis op te blazen, terwijl papa op uitnodiging van de nieuwe communistische regering van Fidel Castro een rondreis maakt door Cuba. De acties van jonge symphatiserende studenten van de Freedom Riders die naar Monroe komen. Demonstraties, sit-ins. En uiteindelijk de woedende politiechef aan de telefoon die vanwege een onzinnig geïnterpreteerd voorval dreigt binnen een half uur voor de deur te staan om zijn vader op te pakken en op te knopen. De uitzinnige menigte die al onderweg is. Dan wordt het te heet onder de voeten van het gezin en vluchten ze weg door donkere achtertuinen. Vervolgens laat de FBI een bericht uitgaan dat papa gezocht wordt, schizofreen is, bewapend en levensgevaarlijk.

Imperialistisch lawaai

Medestrijders pikken de familie op. Bobby en John worden van hun ouders gescheiden en gaan van hand tot hand. Langer dan een week op dezelfde plek onderduiken is te risicovol. Het gezin krijgt uiteindelijk asiel in Cuba. Hoewel Robert niet communistisch is, ziet Fidel Castro hem wel als een tegenstander van Amerika: de vijand van een vijand is mijn vriend. Robert zet op de radio zijn strijd voort in een onbetekenend studiootje in Havanna. Het commentaar dat hij krijgt vanwege zijn muziekkeus. Of hij geen Cubaanse operamuziek kan draaien in plaats van ‘dat imperialistische lawaai’: “… Jazz is muziek voor de zwarten, jazz komt voort uit de blues en gospels en volksmuziek, is verbonden met onze tragische geschiedenis, geboren uit slaven en ik heb nog nooit een imperialistische slaaf ontmoet…”. Ondertussen gaat in Amerika de rassenoorlog van kwaad tot erger: “… In Jackson, Mississippi werd Medgar Evers, de burgerrechtenactivist die streed tegen de rassenscheiding aan de universiteit van Mississippi, in de rug geschoten door een lid van de White Citizens’ Councils, een paar uur nadat president John F. Kennedy op televisie had verklaard dat hij de burgerrechtenbeweging zou steunen. We zagen de beelden van massale demonstraties; politieagenten die erop los sloegen, herdershonden afstuurden op de demonstranten; King op de trap van het Lincoln Memorial in Washington DC; ‘I have a dream that one day on the red hills of Georgia, the sons of former slaves and the sons of former slave owners will be able sit down together at the table of brotherhood.’ In Birmingham, Alabama werden vier zwarte meisjes gedood bij een bomaanslag op de 16th Street Baptist Church door de Ku-Klux-Klan…”. Robert heeft het gevoel dat Cuba steeds meer achter Rusland aan gaat lopen, ‘als een gedwee kind achter zijn strenge vader’. De Cubaanse drukker weigert zijn krant, “De Crusader”, nog langer te drukken. Het gezin voelt zich onveilig. Robert besluit, tot onmetelijk verdriet van Mabel, zijn jongens alleen naar Beijing in China te sturen, waar een goede internationale school is. Voorzitter Mao is de enige wereldleider die op zijn verzoek de bomaanslag in Birmingham openlijk veroordeelt en hem persoonlijk heeft uitgenodigd.

Conclusie overbodig

In 1969 keert Robert met zijn gezin terug naar de Verenigde Staten. Hij wordt direct opgepakt, maar ook weer vrijgelaten. Mabel: “… We kwamen terug in een ander Amerika. Malcolm X, dominee Martin Luther King en president Kennedy waren vermoord; de burgerrechtenbeweging en het verzet tegen de Vietnamoorlog waren op hun hoogtepunt; de Black Panther Party organiseerde ontbijtprogramma’s voor zwarte kinderen in achterstandswijken en paradeerde openlijk met geweren door de straten van San Fransisco. In bijna alle grote steden in Amerika waren rassenrellen geweest…”. Robert uit openlijk kritiek op de Black Panther Party en gaat Buitenlandse Zaken adviseren over China, terwijl zijn gezin op adem komt in de zwarte enclave Idlewild.
Ik bedacht dat de zwarte scholiere met het werkstuk waarschijnlijk als een soort alter ego van Christine Otten functioneert als ze haar in een brief naar John laat schrijven:
“… Mijn werkstuk is bijna af. Ik heb over opa geschreven, uw vader en moeder, en het gesprek dat ik met u had in Detroit uitgetypt en bijgevoegd. Opa zei dat hij trots is op me maar waarom voel ik me dan toch een soort bedrieger? Alsof ik me iets heb toegeëigend waar ik eigenlijk geen recht op heb. Me beter voordoe dan ik ben. Ik weet dat het nergens op slaat; ik ben zijn bloed. Als ik opa’s verhaal niet vertel, wie doet het dan?...”. Het dubbele gevoel. Het is niet jouw verhaal. Jij bent er niet bij geweest. Dan is het makkelijk kletsen. En toch mag wat gebeurd is nooit vergeten worden. Even verder: “… Mijn leraar wil ook dat ik iets zeg over nu; over politiegeweld tegen zwarte mensen, de demonstraties in Ferguson, Missouri, nadat Mike Brown was doodgeschoten, dat soort dingen. Hij is een goede leraar. Ik denk dat een conclusie overbodig is omdat het belangrijkste al in het verhaal staat…”. Daar sluit ik me bij aan: het verhaal spreekt voor zich.

Uitgave: Atlas Contact – 2016, 224 blz., ISBN 978 902 544 568 3, € 19,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

zondag 12 maart 2017

1984 – George Orwell


Sinds de Amerikaanse president Donald Trump aan de macht is staat de beroemde dystopische roman “1984” weer in de bestsellerslijsten. George Orwell (1903-1950) schreef deze ietwat ironische klassieker - ik herlas het in de vertaling van Halbo C. Kool - als een waarschuwing tegen de gevaren van een totalitaire samenleving. Mensen vonden de lancering van Trump’s ‘alternatieve feiten’ (tijdens zijn inaugurele rede zouden er meer personen zijn komen opdagen dan tijdens die van Obama, wat aantoonbaar klinkklare nonsens is) gevaarlijk dicht in de buurt van het geschetste beeld in “1984” komen. Een wat overtrokken reactie, vond ik, Trump is vooral een heel kinderachtig mannetje die het niet hebben kan dat Obama populairder is. Toen de NOS dinsdag met gelekte berichten van Wikileaks naar buiten kwam over dat de CIA onder meer smartphones en slimme televisies gebruikt om hun bezitters af te luisteren, leek mij dat veel meer richting “1984” te schuiven: “Big Brother is watching you…”.

Altijd de vrouwen
Ik was vergeten hoe leesbaar “1984” nog steeds is. Het verhaal draait om de 39-jarige Winston Smith, ambtenaar aan het Ministerie van Waarheid in een desolaat Londen, dat niet meer in Engeland maar in de superstaat Oceanië ligt, en afwisselend in oorlog is met Eurazië dan wel Oostazië (“… Zolang er oorlogen gewonnen of verloren konden worden, kon geen heersende klasse zich volkomen onverantwoordelijk gedragen. Maar wanneer de oorlog letterlijk constant wordt, houdt hij ook op gevaarlijk te zijn. (…) Hij verslindt het overschot aan gebruiksgoederen en hij helpt om de speciale geestelijke atmosfeer in stand te houden, die een hiërarchische maatschappij nodig heeft…”). Winston sjokt de trap op naar zijn flat op de zevende verdieping, want de elektriciteit is uitgevallen. Het telescherm in zijn kamer doet het echter nog wel, sterker, het is zelfs niet meer uit te zetten. Het is zowel een ontvangst- als uitzendapparaat. Onophoudelijk wordt hij bestookt met (nep-)nieuws. Maar het registreert hem ook. Hij kan worden gezien en gehoord. Het meest gevaarlijke is in je slaap te praten. s’ Morgens zendt het telescherm een verplicht portie ochtendgymnastiek uit. Als Winston niet bij de les is gilt een feeksachtige stem hem tot de orde. Buiten zijn deur zijn alle lege oppervlakken beplakt met enorme posters van de partijleider wiens ogen je overal volgen. Daaronder de tekst: GROTE BROER ZIET U. Hefschroefvliegtuigen van de ‘Dunkpolitie’ vliegen tussen hoogbouw door om als bromvliegen langs de ramen te patrouilleren, alert op iets verdachts. Het regime tracht iedere vorm van individualiteit te onderdrukken. Echter, om de een of andere onverklaarbare reden is het telescherm van Winston zo geplaatst dat de ingebouwde camera niet zijn hele kamer bestrijkt. Ernaast is een nis waar hij zich in terug trekt om stiekem in een clandestien aangeschaft dagboek te schrijven. Onhandig gebruikt hij een pen, gewend als hij is te dicteren in een ‘spreekschrijver’. Zijn eerste aantekeningen gaan over een bioscoopfilm waarin hij beelden zag van een boot met vluchtelingen (!) die werd gebombardeerd. Iedereen lachte zich te barsten, behalve een protesterende vrouw uit de sloppenwijken. Ze werd afgevoerd, maar ach, wie kan het wat schelen wat een zogeheten ‘proles’ vindt… Hij merkt dat de ene herinnering de andere oproept. Hij denkt terug aan de dagelijkse Twee-Minuten-Haat-bijeenkomst op zijn werk. Dan verzamelen zich alle werknemers in een ruimte om zich woedend af te reageren op een filmvertoning van schaamteloze staatsvijand nr. 1, de kwaadaardige zondebok Emmanuel Goldstein. Zijn blik viel op een bloedmooi meisje van een jaar of zevenentwintig. Hij mocht haar absoluut niet: “… Hij wist waarom niet. Het was de atmosfeer van hockey-velden en koude douches en club-uitstapjes en algemene geestelijke zindelijkheid, die zij om zich heen wist te verbreiden. Hij had van bijna alle vrouwen een afkeer, en vooral van de jonge en knappe. Het waren altijd de vrouwen, en met name de jonge, die de Partij het meest fanatiek aanhingen, de leuzen slikten, liefhebberden in spionage en speurden naar ketterijen…”. Net zoals vroeger bij ons in de kerk voornamelijk de vrouwelijke kwezels tegen uitgaan, roken, lange broeken en televisie waren, kon ik niet nalaten met enig leedvermaak te denken. Natuurlijk zal Winston verderop in het boek verliefd worden op uitgerekend dít meisje.

Misdunk
Winston wisselde ook een vermeende blik van verstandhouding met een oudere, intellectueel uitziende heer: O’Brien. Zijn er meer dissidenten zoals hij? Hij merkt dat hij het papier voor zich automatisch heeft volgekalkt met de leus WEG MET GROTE BROER. Een zwaar geval van ‘Misdunk’. Hij schrikt zich te pletter als er wordt aangebeld. Gelukkig is het zijn buurvrouw maar. Haar gootsteen zit verstopt. Orwell gebruikt haar gezin om uit te leggen hoe de dictatuur de hoeksteen van de samenleving beïnvloedt. Mama die in feite doodsbang is voor haar twee etters van kinderen die van jongs af aan op school en verenigingen doorkneed zijn in de staatsdoctrine en getraind in het aangeven van ketterij: “… tijgerwelpen, die eerlang zullen opgroeien tot menseneters…”. Papa, die nooit thuis is, want druk als “… leidende figuur in de Sportcommissie en alle andere commissies, die zich bezighielden met het organiseren van gemeenschappelijke uitstapjes, spontane demonstraties, spaaracties en in het algemeen vrijwilligerswerk…”. Een “… dikkige, maar actieve man van een verlammende stompzinnigheid, een brok imbeciele geestdrift – één van die volslagen blinde, toegewijde werkezels, …”, die overal waar hij komt een spoor van zweet achterlaat. Zijn buurjongetje belaagt Winston met een katapult. Zijn moeder verontschuldigt hem. Hij is zo vervelend uit teleurstelling over het feit dat ze geen tijd heeft met hem naar ‘het ophangen’ te gaan. Eens in de maand worden oorlogsmisdadigers terechtgesteld in het park.
Winstons’ werk bestaat uit het rectificeren van teksten. Alle documenten en boeken moeten aan de huidige maatschappijvisie worden aangepast. Waarheid doet er niet toe. Om het plebs mak te houden bestaat er een afzonderlijke afdeling waar prullen van kranten worden vervaardigd, ”… waarin bijna niets anders stond dan sport, misdaad en astrologie, sensationele stuiverromannetjes, films, druipend van sex-appeal en sentimentele liedjes die helemaal op mechanische wijze werden gecomponeerd op een speciaal soort van kaleidoscoop, die bekend stond onder de naam versificator. Er was zelfs een hele subsectie – Pornaf werd zij in Nieuwspraak genoemd – belast met het vervaardigen van de laagste soort pornografie…”. Brood en spelen. Er wordt hard gewerkt aan een gezuiverde taal waaruit alle woorden die te maken hebben met politieke opstand zijn verwijderd: ‘Nieuwspraak’. Waar geen woorden voor zijn bestaat niet. De hele bedoeling van Nieuwspraak is de menselijke denkruimte te laten inkrimpen, zodat misdunk letterlijk onmogelijk wordt. Iedereen zal dan onbewust ‘rechtzinnig’ zijn. Achterin het boek heeft Orwell een bijlage toegevoegd waarin hij zijn ideeën over de manipulatie van taal uiteen zet.

Ik heb je lief
De staat wil voorkomen dat er tussen mannen en vrouwen een oncontroleerbare gehechtheid ontstaat. Seks moet daarom van elk genoegen worden beroofd: “… Het enige doel van het huwelijk was het voortbrengen van kinderen ten behoeve van de Partij…”. En daarvoor moet ook nog apart toestemming worden aangevraagd. Vandaar het ‘Antisex Jeugdverbond’ die algehele onthouding bepleit. Kinderen wordt van jongs af ingeprent dat seks eigenlijk nogal smerig is. Baby’s dienen te worden verwekt door kunstmatige bevruchting en te worden grootgebracht in openbare inrichtingen. Winston leeft al meer dan een decennia gescheiden van tafel en bed met zijn geïndoctrineerde vrouw: de Partij staat geen echtscheiding toe. In plaats van zijn avonden door te brengen in het Gemeenschapshuis dwaalt hij in zijn dooie eentje door de achterbuurten, waar het rapaille betrekkelijk met rust wordt gelaten omdat ze beschouwd wordt als dom werkvee. Dan merkt hij dat hij geschaduwd wordt door het mooie meisje. Hij is bang dat ze hem zal aangeven. Achteraf bedenkt hij dat hij haar de hersens had moeten slaan. Tot hij haar op zijn werk weer tegen het lijf loopt en ze een opgevouwen briefje in zijn hand laat glijden. Daarop in grote hanenpoten: IK HEB JE LIEF. Dagen later krijgt hij het in de kantoorkantine voor elkaar met een dienblad eten aan het tafeltje van het meisje te schuiven. Zonder naar elkaar te kijken mompelen ze tussen de happen door haastig een afspraak bij elkaar. Een ontmoeting volgt op een druk plein. Wederom neemt het meisje het lot in eigen hand. Ze fluistert hem toe op een vrije zondag met de trein naar het platteland te komen, waar ze een beboste plek weet waar ze elkaar ongezien kunnen treffen. Seks ziet ze als een politieke daad tegen de regering: “… Zoals zij het zag, was het leven doodeenvoudig. Je wilde plezier hebben; ‘zij’, waarmee ze de Partij bedoeld, wilden je dat verhinderen; je zondigde tegen de regels zo goed je kon…”. Volgens haar is de gedachte achter onthouding dat seksuele energie wordt omgezet in vechtlust en leidersverering. En passant komt hij er ook nog achter dat ze Julia heet. Uiteindelijk krijgt Winston het voor elkaar een kamertje te huren boven de uitdragerij van een oude man in de slums waar ze een illegaal liefdesnestje bouwen.

Incorrect
Maar niet voor lang natuurlijk. De intellectueel O’Brien vraagt Winston of hij belangstelling heeft voor de nieuwste druk van een woordenboek en geeft hem zijn adres. Samen met Julia gaat hij bij hem langs. Ze worden opgenomen in een geheimzinnig complot: ‘De Broederschap’ van Goldstein. Winston krijgt ‘Het Boek’ toegespeeld, dat een grote rol speelt in de samenzwering, maar verder geen titel heeft. Terwijl ze op bed liggen laat Orwell Winston bladzijden lang hardop voorlezen, terwijl Julia geacht wordt te luisteren. Het gaat vooral over dat er in de wereld drie soorten mensen bestaan: de Voornamen, de Gemiddelden en de Minderen, en hoe daartussen de macht is verdeeld. Het gaat over de filosofie van Grote Broer: ‘Engsoc’. Over de kromme logica er tegelijkertijd twee tegenstrijdige meningen op na te houden en ze beiden te aanvaarden: ‘Dubbeldunk’. En over de psychologische manipulatie en hersenspoeltechnieken die eigen zijn aan de Partij. Het kan Julia niet echt boeien, ze valt in slaap. Tot een ijzige stem uit het niets het stel beveelt zich niet te verroeren. Achter een prent blijkt zich een telescherm te bevinden. Politie dringt het huis binnen. De oude uitdrager heeft hen verraden. Winston komt in een cel terecht zonder klok of daglicht. Hij wordt vernederd, geschopt, afgeranseld, met stroomstoten bewerkt, plat gespoten en raakt buiten westen als hij op het punt staat aangevallen te worden door uitgehongerde ratten. Hij verraadt Julia. Bekent van alles en nog veel meer. Je vraagt je af wat martelpraktijken eigenlijk nog met waarheidsvinding te maken hebben. Zijn ondervrager is O’Brien: “… Hij was de beul, hij was de beschermer, hij was de inquisiteur, hij was de vriend…” (zie ook: “Van vogels en mensen” van Margriet de Moor). Winston is volledig gebrainwashed tegen de tijd dat O’Brien met hem klaar is. Als hij wordt vrijgelaten is hij een gebroken man die zijn troost zoekt in jenever. Nog één keer komt hij Julia toevallig tegen, op straat. Ze doen elkaar niets. Het boek eindigt aldus: “… Maar het was goed zo, alles was goed zo, de strijd was voorbij. Hij had de overwinning op zichzelf behaald. Hij had Grote Broer lief…”.
Moeten we wel over wreedheid willen lezen? Ja, zegt de moeder van Will Schwalbe in “De leesclub voor het einde van het leven”. Omdat je het dan makkelijker herkent als je ermee geconfronteerd wordt. Incorrectheid begint altijd heel subtiel - ook politieke incorrectheid.

Uitgave: De Arbeiderspers – 2013, 312 blz., ISBN 978 902 958 709 9, € 15,00
Rechtstreeks bestellen: klik hier